Wit-Gele Kruis

Uit Digitaal Katholiek Erfgoedhuis

Ga naar: navigatie, zoeken

De eerste Nederlandse kruisvereniging was een religieus neutrale organisatie. In 1875 stichtte de Noord-Hollandse arts en geneeskundig inspecteur Jacob Penn de federatie Het Witte Kruis. De naam en het bijbehorende symbool had Penn van zijn grote inspiratie het Zwitserse Rode Kruis afgekeken. De vlag van het Rode Kruis bestond namelijk uit een omkering van de kleuren van de Zwitserse nationale vlag; Penn draaide de kleur van het rode kruis weer terug. De plaatselijke Witte Kruis-afdelingen werden overkoepeld door de provincie Noord-Holland. Hierna breidde het Witte Kruis zich uit over heel Nederland. De oprichters wilden onwetendheid of vooroordelen op het gebied van gezondheid onder de bevolking wegnemen. Ook probeerden ze epidemieën te bestrijden en de hygiëne in de steden te verbeteren.


Inhoud

Het Groene Kruis

Het Groene Kruis-Sanatorium te Horn.

Naar voorbeeld van het Witte Kruis werd in 1900 de eerste Groene Kruisvereniging opgericht te Lange Ruige Weide in Zuid-Holland. Groen was de kleur van de Medische Faculteit van de universiteit Utrecht. Huisarts Wilhelm Poolman was initiatiefnemer: door middel van verpleging aan huis wilde hij de armen en zieken helpen. Deze hulp moest geboden worden op basis van deskundigheid (en dus niet religie).

In 1910 werd in Limburg door Charles Ruys de Beerenbrouck een katholieke Limburgse variant van het Groene Kruis opgericht. De Limburgers stelden andere eisen aan een kruisvereniging: zorg was in deze provincie immers al eeuwenlang innig verweven met het katholicisme. Om het eigen karakter te benadrukken week de Limburgse afdeling dan ook statutair af van de landelijke organisatie.

Het Wit-Gele Kruis

In 1909 werd ook in Noord-Brabant geprobeerd om een afdeling van het Groene Kruis op te richten. Er zaten veel katholieken in de besturen van deze vereniging: toch liep deze poging op niets uit. De Brabanders wilden een eigen katholieke kruisvereniging en namen geen genoegen met een katholieke variant van het neutrale Groene Kruis, zeker niet omdat de bisschoppen van Breda en Den Bosch de oprichting niet steunden. Nadat de arts J.L.B. Gribling in 1913 geconstateerd had dat pogingen tot oprichting van een succesvolle kruisvereniging inderdaad mislukt waren en dat toestemming van de geestelijkheid essentiëel was voor de medewerking van de Brabantse bevolking, richtte hij in 1916 het Brabantse Wit-Gele Kruis op. Waarschijnlijk werd de kleurenkeuze geïnspireerd door de pauselijke kleuren om zo de band met het katholicisme extra te benadrukken.

Een tentoonstelling van het Wit-Gele Kruis in 1939.

Al snel kwamen er in heel Nederland afdelingen van het Wit-Gele Kruis. Op een congres in 1923 werd de Nationale Federatie het Wit-Gele Kruis opgericht en besloot men dat de landelijke vereniging per bisdom ingedeeld zou worden. Op dat moment waren dit alleen maar de bisdommen Den Bosch, Breda, Utrecht en Haarlem. In 1925 kwam het Limburgse katholieke Groene Kruis (en dus het bisdom Roermond) alsnog bij de Wit-Gele Kruisvereniging, al behield deze afdeling wel haar oude naam.

Leuk detail is dat tussen 1939 en 1949 de Katholieke Nationale Bond voor Eerste Hulp bij Ongelukken ook ondergebracht was bij het Wit-Gele Kruis. Hierna werd het een zelfstandige organisatie.

Organisatie

Eens per jaar kwamen de afgevaardigden van elk bisdom bijeen om zo de koers te bepalen en waar nodig beslissingen te nemen over opgekomen problemen. De top overlegde vaak met zorgorganisaties van de andere zuilen en het Wit-Gele Kruis was ook vertegenwoordigd bij de overheid. Toch was de autonomie voor de plaatselijke federaties erg groot: de landelijke organisatie was er voornamelijk omdat het Wit-Gele Kruis zo een waardige gesprekspartner voor de eerdergenoemde overheid en andere zorgorganisaties was. Bovendien zorgde deze schaalvergroting voor makkelijker te voeren communicatie en goedkopere voorlichtingsfolders.


Doelstellingen

Een wijkzuster verzorgt ouderen in hun eigen huis.

De doelstellingen van het Wit-Gele Kruis waren grotendeels onder te brengen in twee hoofdgroepen: verbetering van de volksgezondheid en verlening van hulp(middelen). Achterliggende gedachte was dat men door deze gezondheidszorg de katholieke moraal van de bevolking kon versterken. Deze doelen wilde het Wit-Gele Kruis verwezenlijken door zich actief bezig te houden op drie terreinen: de ziekenverzorging aan huis, de bestrijding van besmettelijke ziekten en de kraamzorg.

Voor het Wit-Gele kruis was de bevolking erg belangrijk. Op de eerste plaats moest het initiatief tot oprichting van een plaatselijke Wit-Gele Kruisvereniging van de bevolking komen. Deze zocht dan toestemming bij de bisschop om zo een kruisvereniging in haar gebied te stichten. Ten tweede, en dit was vooral het geval voordat overheidssubsidies toenamen, was het Wit-Gele Kruis financieel grotendeels afhankelijk van de contributie van de lokale bevolking. Als het draagvlak onder de bevolking klein was zou de kruisvereniging haar werk niet met succes kunnen uitoefenen.

Een andere belangrijke factor in de ontwikkeling van het Wit-Gele Kruis was de staat. Vanaf 1930 nam de overheidssubsidie toe waardoor de regering een groeiende invloed kreeg op het Wit-Gele Kruis. Eisen aan de verpleging werden strenger, de minimale scholingsgraad van verpleegsters werd steeds hoger en opleidingen werden door de overheid gecontroleerd. Deskundige medewerkers werden een voorwaarde voor subsidie. Aan de andere kant bood de financiële steun van de overheid zekerheid voor het Wit-Gele Kruis: zo was men verzekerd van een vast inkomen. Om beter aan te kunnen sluiten bij deze overheidsbepalingen werd in 1939 de organisatie per bisdom opgeheven en kwam er een indeling naar provincie.

Personeel

Zuster Odilia op wijkbezoek voor het Wit-Gele Kruis.

De thuiszorg werd gedaan door zowel lekenverpleegsters als vrouwelijke religieuzen, hoewel het Wit-Gele Kruis een voorkeur had voor de laatste groep. Zusters zouden veel geschikter zijn om het katholicisme te vertegenwoordigen en waren bovendien ook veel goedkoper. Er was echter één probleem: zusters mochten niet fietsen omdat dit werd beschouwd als onzedelijk gedrag. Aangezien de zogenaamde ‘wijkzusters’ bij hun huisbezoeken vaak grote afstanden af moesten leggen was dit erg lastig. Op aandringen van Gribling besloot de bisschop van Breda in 1919 dat als de moeder overste het goed vond de zusters toch mochten fietsen. Vanaf dat moment was het praktische voordeel van lekenverpleegsters voorbij en werden er voornamelijk religieuzen ingezet. Deze wijkzusters hadden vaak geen opleiding genoten, voornamelijk omdat er in Nederland zeer weinig katholieke verpleegstersopleidingen waren. Na de Eerste Wereldoorlog kwam hier, zij het zeer moeizaam, verandering in. Pas in 1930 werd de eerste Nederlandse katholieke opleiding tot verpleegsters gesticht en het duurde tot 1970 voordat alle wijkverpleegsters in Noord-Brabant gediplomeerd waren. In die tussenliggende periode ging het Wit-Gele Kruis steeds meer eisen stellen aan haar wijkverpleegsters: ze wilde het ‘softe’ imago van liefdadigheid afschudden door te professionaliseren. Deze professionalisering werd ook gestimuleerd door de eerder genoemde overheidseisen.

Voor een groot deel van haar werkzaamheden was het Wit-Gele Kruis afhankelijk van huisartsen. De huisarts had de eindverantwoordelijkheid bij de ziekenverpleging aan huis en de consultatiebureaus voor kinderhygiëne konden niet functioneren zonder zijn leiding. Toch was de huisarts niet altijd even happig op samenwerking met het Wit-Gele Kruis. Ten eerste was er wellicht concurrentie: huisartsen waren bang dat de wijkverpleegsters of kinderartsen in hun werkgebied terechtkwamen waardoor de huisartsen werk zouden verliezen. Een tweede reden was dat artsenopleidingen nog niet veel aandacht aan sociale geneeskunde besteedden waardoor de artsen niet echt zin hadden om mee te werken aan zaken als ‘volksvoorlichting’. Vooral bij ziektes als tuberculose, kanker en reuma raadpleegden de wijkverpleegsters redelijk vaak een arts, terwijl op gebieden als bejaardenzorg, schoolkinderzorg en kleuterzorg er veel minder vaak een arts bij betrokken werd.

Vermaatschappelijking

De ‘Gezamenlijke Kruisverenigingen’ proberen mensen ervan te overtuigen kritisch naar hun moderne leefstijl te kijken.

Zoals hierboven beschreven nam de ‘vermaatschappelijking’ van het Wit-Gele Kruis vanaf de jaren 1930 toe. De overheid kreeg een steeds grotere rol en wijkverpleegsters hoefden niet meer zusters te zijn. De samenleving ging zich afvragen of een verzuilde kruisvereniging nog wel maatschappelijk relevant was en de voorheen zo belangrijke godsdienstige waarden werden vergeten. Zelfs op het hoogste bestuurlijke niveau trad de deconfessionalisering in: aan het einde van de jaren zestig woedde er bijvoorbeeld een discussie over het wel of niet toelaten van niet-geestelijken.

Het Wit-Gele Kruis beschikte over steeds minder middelen om haar missie te vervullen. Ze zocht vanaf het begin van de jaren zestig dan ook al langzaam toenadering tot de andere kruisverenigingen. Dit begon met samenwerking op gebieden als huisvesting, administratie en wijkindeling maar betekende nog geen fusie. In 1967 werd de Stichting Samenwerkende Landelijke Kruisverenigingen (SSLK) opgericht en in 1972 kwam het in Brabant door een ernstig tekort aan kraamzorg tot verregaande samenwerking tussen het Wit-Gele en het Groene Kruis op dit gebied. In 1973 fuseerden het Witte, Groene, Oranje-Groene en Wit-Gele Kruis dan toch tot de Nationale Kruisvereniging. Het Wit-Gele Kruis bestond niet meer.

Fusering

De Nationale Kruisvereniging is jaren later opgegaan in de Landelijke Vereniging voor Thuiszorg (LVT). LVT is opgegaan in Z-org, een organisatie die in 2006 samen is gegaan met Arcares onder de naam ActiZ. ActiZ is een organisatie van zorgondernemers die zich op dit moment bezighoudt met onder andere ouderenzorg, jeugdgezondheidszorg en kraamzorg.






Verwijzingen

Beeld- en bronmateriaal

Literatuur

  • M. van der Kolk – Kousemaker, Het beleid van Het Witte Kruis, Het Groene Kruis en Het Wit-Gele Kruis over de periode 1875-1945 (Utrecht 2005).
  • T. Duffhues, A. Felling en J. Roes, Bewegende Patronen. Een analyse van het landelijk netwerk van katholieke organisaties en bestuurders 1945-1980 (Baarn 1985).
  • M. Th. Wijnen-Sponselee, Het Wit-Gele Kruis in Noord-Brabant 1916-1974 (Tilburg 1997).
  • Nationale Federatie Het Wit-Gele Kruis, Wit-Gele Kruis. Opbouw, uitbouw, groei en bloei (Utrecht 1937).
  • Nationale Federatie Het Wit-Gele Kruis, De wijkverpleging in de maatschappelijk gezondheidszorg. Verslag van een in 1964 enquete naar werkterreinen, werkzaamheden en werkrelaties van werkverpleegsters (Utrecht 1966).


Externe links

Persoonlijke instellingen