Missionarissen van het Heilig Hart (MSC)

Uit Digitaal Katholiek Erfgoedhuis

Ga naar: navigatie, zoeken

De Missionarissen van het Heilig Hart (Missionarii Sacratissimi Cordis lesu; MSC) werden op 8 december 1854 opgericht in Frankrijk door priester Jules Chevalier (1824-1907) en groeide uit tot een wereldwijde congregatie. De MSC is een actieve congregatie met een sterk naar buiten gerichte blik bestaande uit paters en broeders. De geschiedenis van de Nederlandse Provincie MSC begon in de jaren 1880, toen de congregatie naar Nederland uitweek vanwege een kloosterverbod in Frankrijk. De Nederlandse MSC-ers missioneerden met name in Nederlands-Indië, en daarnaast in de Filipijnen en Brazilië.


Inhoud

Missionarissen van het heilig Hart in Nederland

In Nederland vestigden de MSC-ers zich na het Franse kloosterverbod aanvankelijk in huize Gerra te Haaren. Vervolgens namen ze tijdelijk intrek in een wolfabriek in Tilburg. Nadat in 1889 het Missiehuis was gebouwd, werd Tilburg het bestuurscentrum van de MSC. De groei van de congregatie gaf in 1894 al de oprichting van een Noordelijke provincie te zien, waarvan Nederland deel uitmaakte tot er in 1919 een zelfstandige Nederlandse provincie werd opgericht. De Duitse MSC was al sinds 1897 zelfstandig en vanaf 1921 was ook de Belgische provincie een feit. In 1881 aanvaarde de MSC van paus Leo XIII de opdracht om in Melanesië en Micronesië (Oceanië) te missioneren. Hierna volgden er verscheidene missies in Nederlands-Indië: de Molukken (1902), Nederlands Nieuw-Guinea (1905), Celebes (1919) en Java (1921). In de Filipijnen missioneerde de MSC vanaf 1908 en in Brazilië vanaf 1911.


Missie in Nederlands-Indië

Vicariaat Nederlands Nieuw-Guinea

In eerste instantie bestond er slechts één kerkrechtelijke autoriteit in Nederlands-Indië: het Apostolisch Vicariaat van Batavia (het huidige Jakarta). Op 22 december 1902 werd het Apostolisch Prefectuur van Nederlands Nieuw-Guinea afgescheiden van het Apostolisch Vicariaat van Batavia en overgedragen aan de Nederlandse Missionarissen van het heilig Hart. De eerste prefect was pater M. Neijens (1870-1951). De prefectuur werd in 1920 door de paus verheven tot het Apostolisch Vicariaat van Nederlands Nieuw-Guinea met J. Aerts als eerste bisschop. Dit missiegebied bestond uit drie afzonderlijke afdelingen: de Kei-eilanden, de Tanimbar-eilanden en Nederlands Zuid-Nieuw-Guinea. De missie in Nederlands Zuid-Nieuw-Guinea tot de Tweede Wereldoorlog kan opgedeeld worden in twee fasen: de pioniersfase (1905-1920) en de uitbreidingsfase (1920-1942).

Nederlands Zuid Nieuw-Guinea- De pioniersfase (1905-1920)

In 1905 werd de eerste missiepost in Nederlands Zuid Nieuw-Guinea gesticht in Merauke. In juli 1910 volgde, onder leiding van pater J. van de Kolk (1879-1930), de oprichting van een tweede missiestatie in Okaba, waar geëxperimenteerd werd met modelkampongs. Pater H. Nollen (1870-1951), pater P. Braun (1872-1916), broeder D. van Roessel (1860-1930) en broeder M. Oomen (1869-1906) waren de eerste missionarissen die arriveerden in Merauke. Eind december 1905 kwam ook broeder Norbertus Hamers (1872-1913) naar Merauke. In juli 1906 werd pater Braun vervangen door pater E. Cappers (1877-1955), die tot 1909 in de missiestatie zou verblijven. In 1909 kwamen ook paters Jos Viegen (1871-1936), J. van der Kooy (1878-1923) en Jos van der Kolk. Broeder Hendrik van Santvoort (1878-1950) kwam in 1911 naar Merauke.

De bekering van de lokale bevolking bleef tot de jaren 1920 van een beperkte omvang. De broeders hielden zich bezig met de praktische werkzaamheden, zoals verbouwen van gewassen, het bouwen van huizen en het onderhouden van de veestapel. De paters legden zich vooral toe op onderzoek en hielden zij zich daarnaast bezig met exploratie van het gebied. Het onderzoek werd met name toegespitst op de etnografie van de Marind-Anim. Bij dit onderzoek hoorde onder andere fotografie, linguïstisch onderzoek en het observeren van rituelen. De foto’s werden onder andere gepubliceerd in Nederlandse missietijdschriften en gebruikt voor verder antropologisch onderzoek. Door middel van het linguïstisch onderzoek kwamen diverse woordenboeken tot stond. De observaties van de rituelen werden verwerkt tot verschillende (wetenschappelijke) publicaties.

De MSC-ers leefden en werkten onder de Marind-Anim, een Papoeastam van de zuidwestkust van Nieuw-Guinea rond de Maro-rivier. Begin twintigste eeuw waren er ongeveer veertienduizend Marind. De cultuur van de Marind-Anim werd gezien als animistisch. In het leven van de Marind speelden grote rituele feesten een belangrijke rol. Het betrof onder andere initiatieriten, die aan de kust majo-feesten werden genoemd en in het binnenland imo-feesten. Daarnaast waren er feesten die verbonden waren met de sneltochten die regelmatig door de Marind-Anim uitgevoerd werden. Veel van de gebruiken en rituelen van de Marind-Anim zorgden voor afschuw bij de missionarissen, omdat deze vaak gepaard gingen met seksuele handelingen die de missionarissen aanduidden als promiscue. De missionarissen probeerden, al dan niet met de steun van het koloniaal bestuur, deze gebruiken te verbieden met als doel de Marind-Anim te ‘beschaven’.

De financiering voor de missie in Zuid-Nieuw-Guinea was aanvankelijk zeer beperkt. Herhaaldelijk werden er door de missionarissen verzoeken gedaan voor geld en materiaal. De financiële situatie veranderde ten gunste van de missie in Merauke en Okaba na het opstellen van het ‘reddingsplan’. Het plan werd geïnitieerd omdat de missionarissen vanaf de jaren 1910 een bevolkingsterugloop bij de Marind-Anim opmerkten. De angst bestond dat de Marind-Anim uit zouden sterven, omdat het aantal geboorten daalden en het aantal sterfgevallen toenam. De twee belangrijkste oorzaken van de bevolkingsterugloop waren het seksueel overdraagbare venerisch granuloom en de Spaanse Griep.

Door de MSC-ers werd vanaf 1918 gewerkt aan een ‘reddingsplan’. In eerste instantie was het koloniaal bestuur niet bereid om dit plan te financieren. Pas nadat meermaals in diverse media was bericht over het mogelijk uitsterven van de Marind-Anim werd het plan goedgekeurd en de financiering beschikbaar gesteld. Het reddingsplan kon in 1921 van start en bestond uit twee onderdelen: ten eerste werd de bevolking verplicht behandeld voor het venerisch granuloom en daarnaast werd de gezonde bevolking ondergebracht in modelkampongs. Doelstelling van de kampongs was dat de Marind-Anim hun eigen gewoonten en rituelen vervingen door West-Europese cultuuruitingen. De modelkampongs waren dan ook niet geheel onomstreden

MSC missionarissen

Pater Ph. Braun (1872, Beverswijk – 1916, Amerika)

Ingetreden in 1892. Vertrok in 1897 naar Nieuw Pommeren. Vanuit daar ging hij in 1905 naar Merauke voor de periode van een jaar, waarna hij werd overgeplaatst naar Kei. Hij verliet hierna Kei om als MSC priester te werken in Amerika, waar hij stierf in 1916.

Pater E. Cappers (Geldrop, 1877 – 1945, Cimahi)

Ingetreden in 1897. Werd onderdirecteur van het Klein-Seminarie te Tilburg, nam ontslag en vertrok in 1906 richting Merauke. In 1909 vertrok hij ziek richting Kei. Hij stierf in het interneringskamp Cimahi in 1945.

Broeder Norbertus Hamers (1872, Tilburg – 1913, Nederland)

Ingetreden in 1896. Vertrok naar Neu-Pommeren en kwam naar Merauke in 1906. Stierf tijdens zijn verlof in Nederland.

Broeder G. Jeanson (1874, Duisburg – 1944, Bojo)

Ingetreden in 1899. Werkte op Merauke van 1908 tot 1911 en stierf in het interneringskamp Bojo, Celebes in 1944.

Broeder J. Joosten (1872, Deurne – 1942, Kei )

Ingetreden in 1898. Vertrok naar Merauke in 1907, werkte hier tot 1922 en vertrok daarna naar Kei. In 1942 werd hij daar doodgeschoten door de Japanners.

Pater Jos van der Kolk (1879, Wanroy – 1931, Nederland)

Ingetreden in 1900. Vertrok naar Merauke in 1910, stichtte daar de statie Okaba en verhuisde in 1915 naar Langgoer op Kei als missie-overste. In 1922 vertrok hij naar Nederland, waar hij stierf in 1931.

Pater J. van de Kooy (1878, Rijswijk – 1923, Kei)

Ingetreden in 1899. Hij werkte van 1909 tot 1915, en hierna op Kei tot 1923.

Pater M. Neijens (1868, Heel – 1941, Merauke)

Ingetreden in 1887. Vertrok samen met pater H. Geurtjes naar de Molukken en stichtte de missie op Nieuw-Guinea. Als prefect kwam hij in conflict met het provinciaal bestuur van de MSC in Nederland. Hij trad af als prefect in 1915, werkte nog tot 1921 in Merauke, en hierna op de Kei-eilanden, waar hij stierf in 1941.

Pater H. Nollen (1870, ‘s-Hertogenbosch – 1951, Sydney)

Ingetreden in 1891. Vertrok in 1897 naar Nieuw Pommeren daarna in 1905 naar Merauke. Hij werd overste in 1910, en volgde in 1915 pater M. Neijens op als prefect. Hierna keerde hij terug naar Neu-Pommeren, waar hij werkte tot 1951.

Broeder M. Oomen (1869, Hoeven – 1906, Merauke)

Ingetreden in 1897. Kwam in 1905 naar Merauke, waar hij overleed in 1906.

Broeder D. van Roessel (1860, Tilburg – 1930, Saumlaki)

Ingetreden in 1889. Vertrok in 1905 naar Merauke, maar werd in 1906 overgeplaatst naar Kei. Hij overleed in 1930 op Saumlaki (Tanimbar).

Broeder Hendrik van Santvoort (1878, Tilburg – 1950, Tilburg)

Ingetreden in 1902. Vertrok in 1910 naar Merauke, en werkte op Okaba tot 1915. Hij keerde terug naar Nederland waar hij stierf in 1950.

Broeder G. Verhoeven (1871, Gemert – 1907, Merauke)

Ingetreden in 1901. Vertrok in 1907 naar Merauke, maar stierf hier een maand later.

Pater P. Vertenten (1884, Hamme – 1946, Wilrijk)

Ingetreden in 1904. Vertrok in 1909 naar Merauke, en voegde zich hier bij pater van de Kolk in Okaba.In 1915 keerde hij terug naar Merauke waar hij ‘de redder van de Kajakaja’s’ werd (1921). Hij vertrok in 1925 en werd benoemd voor de missie in Congo. Hij stierf in 1946, in Wilrijk, Antwerpen.

Pater Jos Viegen (1871, Maastricht – 1936, Nederland)

Ingetreden in 1892. Vertrok in 1897 naar Kei, waar hij overste van de MSC was tot 1909. Hierna ging hij naar Merauke, maar keerde in 1915 weer terug naar Kei. Vertrok in 1920 naar Nederland, waar hij in 1936 stierf.

Verwijzingen

Literatuur

  • Baal, J. van, Ontglipt verleden. Verhaal van mijn jaren in een wereld die voorbij ging (Franeker, 1986).
  • Baptist, H. e.a, Een kwarteeuw apostolaat: Gedenkboek bij het zilveren jubileum van de missie in Nederlansch- Nieuw-Guinea en de Molukken 1903-1928 (Tilburg, 1928).
  • Boelaars, J., Met de Papoa’s samen op weg. Deel 1: De pioniers. Het begin van een missie (Kampen, 1992).
  • Boelaars, J., Met de Papoa’s samen op weg. Deel 2: De baanbrekers. Het openleggen van Nederland (Kampen, 1995).
  • Cornelissen, J. F. L. M, Pater en papoea: Ontmoeting van de Missionarissen van het Heilig Hart met de cultuur der papoea's van Nederlands Zuid-Nieuw-Guinea (1905-1963) (Kampen, 1988).
  • Corbey, Raymond, Snellen om namen. De Marind Anim van Nieuw-Guinea door de ogen van de Missionarissen van het Heilig Hart, 1905-1925 (Leiden, 2007).
  • Dorren, Gabrielle Maria Elisabeth, Door de wereld bewogen: geschiedenis van de Nederlandse Missionarissen van het heilig Hart (MSC) (Hilversum, 2004).

Beeld- en bronmateriaal

Persoonlijke instellingen