Maatschappelijke gezondheidszorg

Uit Digitaal Katholiek Erfgoedhuis

Ga naar: navigatie, zoeken
Zuster Odilia op wijkbezoek

In de tweede helft van de negentiende eeuw ging de Nederlandse overheid zich actiever opstellen ten opzichte van de structurele armoede. Het land ging langzaam over van Nachtwakersstaat naar verzorgingsstaat, een proces dat pas laat in de twintigste eeuw voltooid zou worden. Grote gezinnen, werkloze of onderbetaalde arbeiders, slechte huisvesting, hoge kindersterfte, gebrekkige hygiëne en het hiermee in verband gebrachte zedelijk verval (de zogenaamde ‘sociale quaestie’) baarden vooral de hogere standen zorgen. Voordat deze verandering in overheidsbeleid intrad was de armenzorg het terrein van particuliere- en kerkelijke instanties. Onder invloed van de verzuiling nam nu de roep om katholieke (in tegenstelling tot de vanuit de staat neutraal georganiseerde) gezondheidszorg toe. De katholiek vreesden naast het zedelijk verval namelijk ook nog dat de armen zouden afglijden naar het socialisme. Om deze redenen gingen de katholieken zich bezig houden met de maatschappelijke gezondheidszorg: de aandacht voor de hulpbehoevenden door middel van (thuis)bezoeken.


Inhoud

Sint Vincentiusvereniging

De Vincentiusvereniging rijkt spijzen aan op de Nieuwe Groenmarkt in Haarlem
Eén van de eerste Nederlandse katholieke organisaties op dit gebied werd in 1846 te Den Haag opgericht. De door P.W.J. de Vetter naar Frans voorbeeld gestichte Sint Vincentiusvereniging werd al snel gevolgd door afdelingen in het hele land.

De leden van de Vincentiusvereniging bezochten gezinnen met financiële en geestelijke problemen (zoals asociale gezinnen en gezinnen die niet naar de kerk gingen) en probeerden door het opbouwen van een vertrouwensband het gezin zowel materieel als spiritueel op een hoger niveau te helpen. Hiernaast hielden ze zich bezig met kinderbescherming, voedselvoorziening, ziekenbezoek, werkverschaffing, het direct steunen van bejaarden en het oprichten van scholen. Het werk werd vooral verricht door welgestelde mannelijke leken. Omdat er zulke scherpe controle was op het gedrag en consumptiepatroon van de ontvangers werd de vereniging door sommige armen als instrument van de kerk of zelfs belerend gezien.

In de jaren vijftig werden het armoedeprobleem door de snel groeiende welvaart opgelost. De verzorgingsstaat ontstond waardoor de levensbeschouwelijk georganiseerde gezondheidszorg niet meer maatschappelijk relevant geacht werd. De Vincentiusvereniging ging zich vanaf de jaren zestig concentreren op de Derde Wereld, verslavingshulp en aids-patiënten.

Sobriëtasvereniging

Sobriëtas-oprichter Alphons Ariëns over drank en het gezin
In 1895 werd in Enschede door de priester en sociaal hervormer Alfons Ariëns de eerste Sobriëtasvereniging opgericht. Een landelijke vereniging volgde in 1898.

Doel van dit initiatief was de drankbestrijding op katholieke leest te schoeien. Drank was namelijk een algemeen maatschappelijk probleem dat door elke zuil door middel van eigen organisaties werd aangepakt. De katholieke oprichters meenden dat vooral arbeiders meer alcohol dronken dan goed was voor hun lichamelijke en geestelijke gezondheid. In de loop der tijd breidde Sobriëtas haar werkveld uit naar het verkondigen van een sobere levensstijl in het algemeen. De bestuursleden, vaak de lokale elite, gaven lezingen, bezochten gezinnen en brachten folders uit om het drankmisbruik tegen te gaan en algehele onthouding te promoten. Leden van Sobriëtas moesten deze lezingen en vergaderingen bijwonen.

Omdat na de Tweede Wereldoorlog alcohol sociaal aanvaardbaar werd en de keuzevrijheid van arbeiders toenam daalden het ledenaantal en de populariteit snel. Alcoholisme werd niet meer gezien als een armoedeverschijnsel maar als een ziekte en de link met zedelijk verval verdween. Tegenwoordig heeft deze (tot stichting omgevormde) organisatie bijna geen maatschappelijke invloed meer.

Kruisverenigingen

De Kruisverenigingen vormden een derde vorm van maatschappelijke gezondheidszorg. In 1916 stichtte de arts J.L.B. Gribling het Brabantse Wit-Gele Kruis. Deze katholieke kruisvereniging, opgericht naar voorbeeld van de in religieus opzicht neutrale Witte en Groene Kruisverenigingen, breidde zich al snel uit over heel Nederland en nam in 1925 de Limburgse afdeling van het Groene Kruis in zich op.

Een zieke wordt verzorgd door een wijkverpleegster van het Wit-Gele Kruis.

Het Wit-Gele Kruis wilde de volksgezondheid verbeteren en hulp(middelen) verlenen. Hierachter lag de gedachte dat men de katholieke geloofsbeleving onder de bevolking kon verbeteren. Deze doelstellingen wilde men verwezenlijken door actief te zijn op drie gebieden: de ziekenverzorging aan huis, de bestrijding van besmettelijke ziekten en de kraamzorg.

Vanaf 1930 nam het financiële aandeel van de overheid in het Wit-Gele Kruis toe. Het Wit-Gele Kruis wilde meer armslag hebben, een een zekere bron van inkomsten om haar werk voort te kunnen zetten. Door deze subsidies kreeg de overheid wel invloed in het reilen en zeilen van deze kruisvereniging. Wijkverpleegsters moesten van de overheid een professionele opleiding gevolgd hebben en aangezien er weinig katholieke opleidingscentra waren nam het aantal religieuzen in de wijkverpleging snel af.

Vanaf de tweede helft van de jaren 1950 werd de maatschappelijke relevantie van levensbeschouwelijk georganiseerde gezondheidszorg steeds meer in twijfel getrokken. Ook was er ernstig personeelsgebrek. Om deze redenen werden in 1973 alle verzuilde Kruisverenigingen ondergebracht in een religieus neutrale organisatie: de Nationale Kruisvereniging. Tegenwoordig bestaat de Nationale Kruisvereniging niet meer: deze is na een reeks fusies opgegaan in ActiZ.

Verwijzingen

Beeld- en bronmateriaal

Literatuur

  • Duffhues, Felling en Roes, Bewegende Patronen. Een analyse van het landelijk netwerk van katholieke organisaties en bestuurders 1945-1980 (Baarn 1985).
  • J. Evers, Geen liefdewerk is ons vreemd. 150 jaar Vincentiusvereniging in Nederland (Den Haag 1996).
  • Erasmusplein, 'Het heertje met de hoge hoed verdwijnt. De Vincentiusvereniging in Nederland' (Erasmusplein 11, 2000, nr.3 ).
  • J.C. van der Stel, Drinken, drank en dronkenschap: vijf eeuwen drankbestrijding en alcoholhulpverlening in Nederland (Hilversum 1995).
  • Sobriëtas Venlo, 70 jaar Sobriëtaswerk 1895-1965 (Venlo 1965).
  • Van der Kolk – Kousemaker, Het beleid van Het Witte Kruis, Het Groene Kruis en Het Wit-Gele Kruis over de periode 1875-1945 (Utrecht 2005).
  • Wijnen-Sponselee, Het Wit-Gele Kruis in Noord-Brabant 1916-1974 (Tilburg 1997).

Externe links

Persoonlijke instellingen