Literatuur

Uit Digitaal Katholiek Erfgoedhuis

Ga naar: navigatie, zoeken

In deze tekst worden zowel katholieke visies op literatuur (en de historische context hiervan) als de werken van katholieke auteurs zelf besproken. In de negentiende eeuw bloeiden beide vormen, en ontwikkelden ze zich aan de hand van de maatschappelijke ontwikkelingen in Nederland.


Inhoud

Eerste helft negentiende eeuw: langzame groei

Joachim Le Sage ten Broek

Sinds 1557 kent het katholicisme de Index: een regelmatig bijgehouden lijst, samengesteld door de katholieke kerk, met daarop alle boeken die katholieken niet mogen lezen. Deze werken zouden namelijk de leken kunnen corrumperen. Ondanks deze beperkende factor speelde literatuur een grote rol in de emancipatie van de Nederlandse katholieken gedurende de negentiende eeuw.

In de katholieke maatschappelijke houding kwam rond 1820/1830 een keerpunt: de katholieke literatuur ging van ‘Verlicht’ en tolerant naar strijdbaar en anti-protestants. Schrijver en journalist Joachim Le Sage ten Broek, een protestantse bekeerling, was als nestor van de katholieke pers met zijn in 1818 opgerichte tijdschrift De Godsdienstvriend het boegbeeld van deze omslag. Ook in het in 1842 opgerichte De Katholiek werd veel aandacht besteed aan literatuur: regelmatig plaatste de redactie gedichten van priesters en recenseerde men literatuur. De in 1855 door J.A. Alberdingk Thijm opgerichte Dietsche Warande afficheerde zich als ‘cultuurtijdschrift’ en besteedde veel aandacht aan literatuur, maar had niet echt een katholiek signatuur en genoot ook geen episcopale steun.

De jaren 1870: Het standaardbetoog

Met het afschaffen van het dagbladzegel in 1869 traden er grote veranderingen op in de wereld van de pers: doordat het goedkoper werd om tijdschriften en dagbladen te produceren nam het aantal snel toe. Bovendien zorgde de tegen 1870 al goed gevorderde emancipatie van de katholieken ervoor dat hun koopkracht ook was gestegen. Het lezerspubliek van drie van de grootste bladen De Katholiek, Studiën en De/Onze Wachter was dan ook zeer ontwikkeld, zelfs geleerd. De laatste van deze bladen was gericht op leken, de eerste twee op geestelijken. De literatuuropvattingen in al deze tijdschriften lagen in het verlengde van de contemporaine levensbeschouwelijke en cultuurkritische standpunten: literatuur moest religieus en moreel verheffend zijn. De confessionele propaganda tegen het lezen was bovendien zeer fel: er heerste met name een enorme angst voor ‘schadelijke boeken’. Om deze reden schreef de pers een goed katholiek boek voor als tegengif voor het socialisme en protestantisme. De tijdschriften maakten reclame voor ‘goede’ boeken en recenseerden deze. Populaire schrijvers waren onder andere H. Banning, de Vlaamse broers August en Reinier Snieders, J. Vester, J.R. Van der Lans en Melatie van Java (het pseudoniem van Marie Sloot). Door het gezamenlijke emancipatorische belang van frontvorming waren er weinig conflicten in de literaire wereld. De enige uitzondering was J.A. Alberdinck Thijm, die wat vrijzinniger was dan zijn collega’s.

Het zogenaamde ‘standaardbetoog’ dat in die tijd over literatuur door de kerk uitgedragen werd bestond uit een afkeer van Franse literatuur (met name de romans, deze waren veel te vrij en ‘emotioneel’), hevig protectionisme en anti-realisme. Dit laatste houdt in dat de kerk tegen het zo ‘echt’ mogelijk, en dus vaak grauw en eentonig, afbeelden van het dagelijks leven was. Ze zag de literatuur liever idealistisch: het goede belonend en het slechte straffend. Pre-negentiende eeuwse literatuur werd niet in historische context beoordeeld, maar op relevantie voor de negentiende-eeuwse katholiek. Hierbij werd de literatuur uit de middeleeuwen als hoogtepunt gezien. Auteurs die niet katholiek waren, zoals Vondel en Bilderdijk, werden postuum toch als ‘eigenlijk katholiek’ bestempeld en zo voor de katholieke wagen gespannen. Poëzie werd minder gevaarlijk geacht dan proza, maar moest ook voldoen aan de idealisering van de werkelijkheid.

De periode 1880 - 1900: Confrontatie met en positiebepaling t.o.v. de Tachtig

H.J.A.M. Schaepman

In de jaren 1880 werd de Nederlandse literaire wereld, en zo ook de katholieke, geconfronteerd met de Tachtigers. De reflectie in katholieke tijdschriften werd overheerst door positiebepaling ten opzichte van deze moderne richting. De ultramontaans-conservatieve theoloog en priester Herman Schaepman zette hierbij de, sterk afwijzende, toon. De katholieke opvattingen over literatuur waren namelijk nog steeds hetzelfde als in de vorige periode. Vooral het ‘l’art pour l’art’ van de Tachtig stond de katholieken tegen, want kunst moest een Hoger, maatschappelijk doel hebben. De grootste bezwaren waren atheïsme, individualisme, estheticisme, ‘nieuwlichterij’ en nietszeggende woordkunsten. Ook het proza van ‘andersdenkenden’ werd naturalistischer, en daar ageerden katholieken ook tegen. Hiernaast vond De Katholieke gids in 1890 dat er meer katholieke romans geschreven moesten worden, maar dan wel volgens het hierboven beschreven idealisme.

De Tachtigers vielen met name Schaepman aan. In 1886 verscheen een literaire kritiek in de Nieuwe gids geheel geweid aan Schaepmans Aya Sofia. Het artikel stak genadeloos de draak met dit grootse werk van Schaepman: het zou alleen maar uit nietszeggende, bulderende retoriek bestaan. De diep beledigde Schaepman werd in de jaren 1890 dan ook steeds agressiever in zijn veroordeling van de Tachtig.

Het Nederlandse proza vernieuwde zich na 1885 dramatisch aan de hand van het zogenaamde ‘naturalisme’: literatuur met veel aandacht voor sociale misstanden met een seculiere en bijna wetenschappelijke weergave van gebeurtenissen. Hier brachten katholieken dezelfde morele en levensbeschouwelijke elementen tegen in stelling die ze de Tachtig ook tegenwierpen. Vooral Émile Zola en Lodewijk van Deyssel (pseudoniem van de katholiek K.L.J. Alberdingk Thijm, zoon van J.A. Alberdingk Thijm) waren onderwerp van hevige kritiek. Het commentaar op het naturalistische proza spitste zich toe op hun ongeloof en pessimisme, hun epigonisme, de werkelijkheidsuitbeelding en onderwerpskeuze en de uitbeelding van personages.

Deze positiebepaling ten opzichte van de Tachtig kwam in de jaren 1890 in een stroomversnelling nadat de katholieke Tachtig-critici geconfronteerd werden met een generatie jonge katholieke auteurs die openlijk wees op het pijnlijke probleem van het tekort van katholieken in de Nederlandse literatuur. Grote naam binnen deze stroming was M.A.P.C. Poelhekke, die in zijn in 1899 gehouden lezing Het te-kort der katholieken in de wetenschap stelde dat de verworvenheden van de Tachtig geïncorporeerd moesten worden in het katholiek levensbeschouwelijk kader. In De katholiek kon Poelhekke dankzij de progressieve redactie zijn mening kwijt. De conservatieve kranten negeerden Poelhekke en zijn medestanders echter: de tweespalt binnen het katholicisme groeide.

De periode 1900 - 1920: ‘Schaepmanianen’ versus ‘Thijmianen’

In de jaren 1900 nam de kloof tussen de ‘Schaepmanianen’ (de anti-Tachtig conservatieven, niet te verwarren met de ‘Schaepmannianen’, een katholieke fractie in de Tweede Kamer) en de ‘Thijmianen’ (voorstanders van een open katholicisme en pro-Tachtig) toe. In 1900 richtte Poelhekke samen met andere ontevreden ‘jongeren’ Binnewiertz, Viola en De Klerk Van onzen tijd op: een tijdschrift met een sterk polemisch karakter dat kritisch was ten opzichte van de gevestigde orde. De uit leken bestaande redactie maakte een front tegen de ouderen: deze moesten niet bang zijn voor moderne literatuur en de katholieke literatuur diende een inhaalslag te maken ten opzichte van de andersdenkende literatuur. Het tijdschrift was tussen 1900 en 1910 het intellectuele brandpunt van het culturele katholieke vernieuwingsstreven.

Schaepman bleef deze nieuwe stroming fanatiek aanvallen: na zijn dood in 1903 nam De Maasbode dat stokje over. Vrijwel alle tijdschriften kozen Schaepmans kant. De Katholiek werd echter het ware strijdveld: de redactie was namelijk sterk verdeeld en door middel van vele felle artikelen werd de strijd uitgevochten.

Rond 1910 deed een nieuwe generatie katholieken alweer afstand van de Tachtig. Nieuwe redactieleden van Van onzen tijd wilden zich meer op een hechte ethische en maatschappelijke basis richten; ze ontsloegen onder andere de prominente katholieke Tachtiger Anton Binnewiertz. De oude generatie Schaepmanianen had echter net het normencomplex van de Tachtig geaccepteerd.

In de jaren 1900-1920 ontstond er in de katholieke tijdschriften ook een duidelijke, felle positiebepaling ten opzichte van literatuur van andersdenkenden. Niet-confessionele auteurs werden verbeten bestreden en afgeraden voor het katholieke leespubliek. Ook socialistische literatuur werd op morele gronden afgewezen: dit was de grootste bedreiging voor het katholicisme. Protestanten echter werden welwillend bejegend, katholieken en protestanten hadden immers gemeenschappelijke belangen. Ze wilden bijvoorbeeld beide de Tachtig omarmen binnen hun christelijke normen.

De jaren 1920: Onafhankelijke koersen

Anton Binnewiertz

Na 1920 stond de katholieke literatuur voornamelijk in het teken van een eigen onafhankelijke koers, in tegenstelling dus tot stellingname ten opzichte van de Tachtig. In de jaren 1920 nemen ‘De katholieke jongeren’ het woord. Zij waren groot fan van Jacques Maritain, een Franse neo-thomist. Katholieken moesten leiden, niet volgen en de erkenning van andersdenkenden zoeken. Door spiritualiteit zou katholieke literatuur alle andere overtreffen. Deze Jongeren, geleid door Pieter van der Meer de Walcheren, kregen veel kritiek: ze zouden katholieke eenheid opbreken door een te alternatieve literaire koers te varen en zich te agressief op te stellen ten opzichte van andere niet-katholieke literatoren.

Er waren drie tijdschriften die functioneerden als podium voor de jongeren. Ten eerste was er De roeping, een zeer kritisch en controversieel blad dat stelde dat de kunstenaar een priesterfunctie had. De auteurs zetten zich af tegen de Tachtig en de confrontatie ontwijkende houding van andere katholieke literatoren. Ten tweede was er De valbijl, een enorm agressief en honend tijdschrift dat bijzonder radicaal katholiek was. Hier zijn maar drie afleveringen van verschenen. Ten slotte was er De gemeenschap. De redactie wilde de christelijke samenleving herstellen door het propageren van idealistische literatuur. Ze propageerde het idee van de ‘dienstbare schoonheid’: kunst is vrij op haar eigen terrein, maar ondergeschikt aan het Hogere. Dit blad was de luis in de pels van het katholieke establishment: ze voelden een over de zuilen heen reikende verbondenheid met ‘onafhankelijke’ jongere literatoren tegen het socialisme.

De jaren 1930: Literatuur in een politiek kader

Tijdens de tweede helft van het interbellum kwam literatuur in het politiek en maatschappelijk veld terecht. Er vond een wending naar de samenleving plaats: auteurs werden maatschappelijk en ideologisch geëngageerd en door slechte economische tijden en de politieke polarisatie van die tijd werden ook literatoren gedwongen om hun positie te bepalen.

In 1934 verscheen het eerste nummer van De nieuwe gemeenschap. Het nieuwe tijdschrift was voorstander van volkse kunst en levensbeschouwelijke normen in de literatuur; volgens hen was De gemeenschap, waar ze een afsplitsing van was, te elitair-liberaal. Het blad werd al snel beschuldigd van fascisme, een benaming die de redactie niet ontkende en ook wel verdiende wanneer men haar artikelen leest.

Een groot aantal radicale katholieken schoof steeds verder op naar rechts en velen voegden zich bij de fascistische en zwaar antisemitische Nederlandse organisatie Zwart Front. Met name De nieuwe gids werd zeer extreem-rechts, terwijl De gemeenschap tegen het fascisme ging strijden. Deze revolutie van rechts werkte als splijtzwam in de katholieke literaire wereld.

Na de Tweede Wereldoorlog

Anton van Duinkerken

Tijdens de Tweede Wereldoorlog werden veel tijdschriften opgedoekt en brandde de katholieke literatuur op een laag pitje. Van katholieke literaire groepsvorming was na de oorlog geen sprake meer. Tijdschriften die door de Nazi’s opgeheven waren keerden niet meer terug, met uitzondering van De Roeping die echter alleen nog kritiek leverde op niet-katholieke literatuur maar zelf geen eigen visie ontwikkelde. Katholieke schrijvers die zich met niet-katholieken konden meten waren schaars.

De belangrijkste letterkundige na de oorlog was Anton van Duinkerken, het pseudoniem van Wilhelmus Johannes Maria Antonius Asselbergs. Na 1945 hervatte hij zijn literaire activiteiten, die hem voor de oorlog al beroemd hadden gemaakt. Zijn poëzie was melancholisch en droeg Van Duinkerkens bourgondische, Brabants karakter in zich. De dichters Gabriël Smit en Michiel van der Plas reisden vaak met Van Duinkerken door heel Nederland om hun poëzie ten gehore te brengen: op deze wijze werden zij ook beroemd.

De jaren vijftig wordt in de Nederlandse literatuurgeschiedenis gekenmerkt door de Vijftigers, die de literatuur wilden vernieuwen. In deze stroming speelden de katholieken echter geen rol, ze keerden zich van de ideeën van deze richting af. Naast Van der Plas was eigenlijk alleen Nico Verhoeven als schrijver van experimentele poëzie echt betrokken bij literaire vernieuwingen.

In het proza waren er wel enkele grote katholieke namen. Godfried Bomans en Edmond Nicolas schreven veel humoristische literatuur, terwijl met name Jos Panhuijsen serieuze, ernstige romans schreef. Bomans was daarnaast vaak op de Nederlands televisie, hij werd een bekende persoonlijkheid. De literaire wereld had hem eigenlijk nooit in haar armen gesloten, dit is na zijn dood pas gebeurd.

De jaren 1960: Afstand tot Rome

In de jaren 1960 nam Nederland langzaam maar zeker afstand van Rome, en dit vond zijn weerslag in de literatuur. Het katholieke tijdschrift Roeping werd in 1963 omgedoopt tot Raam, tekenend voor de omslag van een dogmatisch naar een wat pragmatisch katholicisme. Onder anderen de jezuïet Huub Oosterhuis vond onderdak bij Roeping, en vervolgens Raam. Oosterhuis is van enorme betekenis voor de liturgievernieuwing in de Kerk in deze periode. In de jaren 1960 schreef hij veel katholieke klassiekers (vaak het ‘vertalen’ van eeuwenoude spirituele teksten naar een moderne vorm, zodat hun spirituele inhoud weer weerklank zou vinden bij de kerkbezoeker); in de jaren 1970 nam bij hem de twijfel toe en werden zij teksten kritischer.

In 1968 stierf Anton van Duinkerken, de man die inmiddels door heel Nederland gezien werd als grote katholieke cultuurdrager. Zijn bijna ‘natuurlijke’ opvolger, ook al was hij qua schrijfstijl en achtergrond Van Duinkerkens tegenpool, was Kees Fens. Hij was meer kritisch-nuchter en ‘van boven de rivieren’, terwijl Van Duinkerken bekend stond als de bourgondiër van beneden de rivieren. Kees Fens heeft echter nooit de faam van Van Duinkerken gekregen.

De periode 1970 - 1985

Reves bekering tot en belijdenis van het katholicisme was bijzonder controversiëel.

In het midden van de jaren 1970 vond er een omslag plaats van experimentele poëzie en proza naar het teruggrijpen op traditie. Grootste naam hierbij was Gerard Reve. In 1966 was hij toegetreden tot de kerk, maar hij bleef wel kritisch. Reve schreef in enkele van zijn boeken op bijna mystieke wijze over zijn toewijding aan het katholicisme en liet God en Maria vaak een hoofdrol spelen– al weet de lezer vanwege Reves ironische toon af en toe niet wat de schrijver écht bedoelde. Ook Cees Nooteboom is een belangrijk en bekend persoon binnen deze stroming: hij staat voor een literaire verwerking van verschillende ‘traditionele’ katholieke elementen op een hoog niveau.

Van 1985 tot het heden

In het midden van de jaren 1980 maakte Het Winterjaar van Ton van Reen een succesvol schrijver. In dit boek keek Van Reen op nostalgische wijze naar het katholieke leven uit de jaren 1940 en 1950, de periode van zijn jeugd. Over deze thematiek zou hij hierna vaker schrijven; zijn bundel Rijke Levens werd door Katholiek Nederland uitgeroepen tot beste katholieke roman aller tijden.

Een andere katholieke auteur is Renate Dorrestein. Zij schrijft vooral vanuit een kritisch-vrouwelijk standpunt over haar katholieke verleden. Ook Connie Palmen schrijft over haar katholieke afkomst. Vonne van der Meer heeft zich in 1994 bekeerd tot het katholicisme en schrijft sindsdien boeken over morele en levensbeschouwelijke onderwerpen maar velt zelf geen oordeel en neemt geen standpunt in. Meerdere jonge schrijvers doen dat: ze hebben een katholieke achtergrond, maar distantiëren zich met een onbevangen blik duidelijk van de georganiseerde Kerk.

Verwijzingen

Beeld- en bronmateriaal

Literatuur

  • Matthijs Sanders, Het spiegelend venster. Katholieken in de Nederlandse literatuur 1870-1940 (Nijmegen 2002).
  • Walter Goddijn, Jan Jacobs en Gérard van Tillo, Tot vrijheid geroepen. Katholieken in Nederland (1946-2000) (Baarn 1999).

Externe links

Persoonlijke instellingen