Lichamelijke gezondheidszorg

Uit Digitaal Katholiek Erfgoedhuis

Ga naar: navigatie, zoeken
Het Ignatiusziekenhuis te Breda: het eerste katholieke ziekenhuis van Nederland

Inhoud

Geschiedenis van de katholieke gezondheidszorg

De katholieke gezondheidszorg vindt zijn oorsprong in de Middeleeuwse caritas: zieken moesten verzorgd worden omwille van hun zielenheil en dat van hun verzorgers. Lichamelijke genezing was niet aan de orde, ziektes waren een signaal van God dat niet bestreden mocht worden. Terugvallen op geneesmiddelen was heidens, of stond zelfs gelijk aan tovenarij. De gezondheidszorg werd hoofdzakelijk beoefend in kloosters,zogenaamde ‘godshuizen’. Deze lagen vaak naast pelgrimsroutes: naast het verzorgen van armen en zieken bood men ook onderdak aan pelgrims. Na het Concilie van Vienne in 1311 kwam er een einde aan het beheer van hospitalen door de kerkelijke overheid. Er werd namelijk veel misbruik gemaakt van de kloosters: adellijke gezelschappen bleven soms maanden logeren, de bisschop of abt hield de voor de armen bestemde giften zelf; men verstoorde kortom de kloostersfeer. In de godshuizen werkten nu nog wel kloosterlingen maar de leiding lag bij leken, meestal de plaatselijke notabelen. In de zestiende eeuw vond er een transformatie plaats van ‘godshuis’ naar ‘gasthuis’: men moest echt ziek zijn voordat men opgenomen werd. In plaats van de zorg voor het zielenheil van de zorgaanbieders verschoof de aandacht meer naar de harde werkelijkheid van de arme en zijn ziektes. Toch was opname nog steeds een permanente zaak. De leefomstandigheden in zowel de gods- als de gasthuizen waren slecht: zieken lagen met velen in één hal, het stonk er ontzettend en van hygiëne tijdens operaties had men nog nooit gehoord.

Na de Alteratie van 1578 echter mochten er tot 1795 geen katholieke geestelijken meer in een ziekenhuis werken. De katholieke gasthuizen werden ontruimd en kregen een andere bestemming, meestal wel gerelateerd aan het verzorgen van de zwakken der samenleving. Aan het begin van de negentiende eeuw zorgden de snelle ontwikkelingen in de medische wetenschap voor veranderingen in de ziekenzorg. Het was namelijk te ingewikkeld en duur geworden om zieken met de nieuwe technische uitvindingen thuis te behandelen. Tot de zeventiende eeuw was de voornaamste kostenpost het voedsel voor de patiënten geweest; hierna werden dit de salarissen van de artsen en, vanaf de tweede helft van de negentiende eeuw, ook de technische kosten.

Vanaf de jaren 1850 kwamen de particuliere ziekenhuizen op: ziekenhuizen die gesticht werden door rijke weldoeners of religieuze ordes. Hier was men dus voor een gedeelte weer terug bij de doelstelling van zorg in de Middeleeuwen: de eigen zielenheil. Echter, in plaats van verzorging werd genezing het primaire doel.

Negentiende-eeuwse ziekenhuizen werden voor het eerst ingedeeld in paviljoenen: eerst vanwege de overtuiging dat frisse lucht (die zich beter in een paviljoen kon verspreiden) infecties voorkwam, later omdat het praktischer was de verschillende specialismen per paviljoen in te delen. Rond 1930 ontstonden de zogenaamde ‘vleugelziekenhuizen’: de verplaatsing van patiënten van de ene naar de andere afdeling en algemene samenwerking werd zo een stuk makkelijker. In de tweede helft van de twintigste eeuw ging men over op blokbouw: de hoogte in bouwen nog meer heeft logistieke en economische voordelen.


Een lot uit 1898 voor ‘verloting van voorwerpen van kunst en smaak ten voordeele van het R.K. Gasthuis’. Lotingen als deze waren een van de vele manieren waarop katholieke ziekenhuizen probeerden hun financiën bijeen te krijgen.

Katholieke ziekenhuizen in Nederland

Het eerste Nederlandse katholieke ziekenhuis werd opgericht in 1826 te Breda . Vooral vanaf de tweede helft van de negentiende eeuw nam het aantal katholieke ziekenhuizen snel toe. Dit als gevolg van de verzuiling maar ook door de slechte reputatie van openbare ziekenhuizen. De katholieke ziekenhuizen werden gefinancierd door de stichtende orde (die hun geld weer uit collectes, giften maar vooral legaten haalde). In de tweede helft van de twintigste eeuw ontstond de Nederlandse verzorgingsstaat, die langzaam steeds meer financiële en later ook bestuurlijke verantwoordelijkheden van de ordes overnam.

Ook kon men vanaf 1900 perifere en specialistische ziekenhuizen onderscheiden. In Nederland stond één katholiek universitair ziekenhuis: het in 1956 gestichte Sint Radboudziekenhuis te Nijmegen. Tot 1965 viel een katholiek ziekenhuis onder caritas, wat betekende dat de ziekenhuizen verantwoording af moesten leggen aan de bisschop. Hierna gold dit niet meer.

Katholieke verzorgingshuizen zijn altijd blijven bestaan. Hier worden zieken opgenomen zonder dat men ze probeert te genezen. Verpleeghuizen bieden een intensievere vorm van zorg. Hiernaast is nog te wijzen op hospices (zorgtehuizen voor ongeneeslijk zieken die op sterven liggen), deze kennen vaak een katholieke signatuur ook al is de hospicebeweging pas iets van de laatste tien jaar. Een groot deel van deze instellingen wordt bemenst door vrijwilligers.

Ten slotte is er nog het isolatieziekenhuis, vaak ondergebracht in een paviljoen op het terrein van een perifeer ziekenhuis. Al voordat er godshuizen waren werden mensen die ofwel geestelijk ziek waren, melaats waren, of infectieziekten zoals tuberculose met zich meedroegen, al geïsoleerd. Pas in twintigste eeuw erkende men dat geestelijk gestoorden ook een ziekte met zich meedroegen en dat men ze niet moest afschrikken of slecht moest behandelen aangezien dit de kans op genezing alleen maar zou verminderen.

Organisatie

De hiërarchie in het Joannes de Deo ziekenhuis in Den Haag

De katholieke ziekenhuizen werden geleid door een bestuur met aan het hoofd een leek (de geneesheer-directeur). De verpleging was in handen van religieuzen, met aan het hoofd de moeder overste, die in dagelijks overleg stond met de geneesheer-directeur. Spanningen tussen deze twee autoriteiten waren geen ongewoon verschijnsel; het leiden van een ziekenhuis werd vanuit twee verschillende oogpunten bekeken. De zusters stonden bovendien aan de ene kant als religieuzen onder de verantwoordelijkheid van moeder-overste en daarna pas onder die van de geneesheer-directeur, maar aan de andere kant moesten ze toch gehoorzamen aan de leider van het ziekenhuis; diezelfde geneesheer-directeur. Dit kon aanleiding geven tot loyaliteitsproblemen. Vanaf de jaren 1920 nam het aandeel religieuze verpleegsters in ziekenhuizen snel af en namen leken hun plaats in. Ze kregen een goede opleiding en er was strenge selectie. Sinds de jaren 1960 zijn er vrijwel geen religieuzen meer actief.

Voor de negentiende eeuw zagen artsen hun ziekenhuiswerk als bijbaantje: ze kwamen snel even langs om advies te geven. Ze waren dan ook niet officiëel verbonden aan het ziekenhuis. Na 1800 veranderde dit en werden artsen deel van de reputatie van een ziekenhuis.

Doelstellingen en katholieke identiteit

Een reglement uit 1880 voor de opname van zieken in het Onze Lieve Vrouwen Gasthuis

In een katholiek ziekenhuis wilde men op de eerste plaats zieken genezen, maar net zo belangrijk was dat dit proces volgens katholieke normen verliep. De katholieke identiteit kwam tot uiting in zowel het personeel (religieuzen geleid door een moeder-overste) als in het als vanzelfsprekend beschouwde morele kader. Secularisering van de Nederlandse samenleving zorgde ervoor dat vanaf de jaren 1960 de kritiek op naar levensbeschouwing georganiseerde ziekenzorg steeds groter werd. Het vanzelfsprekende morele kader verdween en werd vervangen door discussies over ethiek. Als behandelmethodes of operaties niet strookten met kerkelijke moraal dan gaf dit problemen. Vooral inzake geboorteregeling en stervensbegeleiding verschilde het beleid in katholieke ziekenhuizen vaak met dat van openbare ziekenhuizen.

Patiënten werden net als in ander ziekenhuizen ingedeeld naar ‘klasse’ (dit liep van ‘derde klasse’ naar ‘eerste klasse’): des te meer ze betaalden, des te betere verzorging ze ontvingen. Voordat de verzorgingsstaat gestalte kreeg werden de armen gratis behandeld.

Vanaf het begin van de twintigste eeuw nam het aantal niet-katholieke patiënten in katholieke ziekenhuizen toe. Hun beweegredenen zijn onduidelijk; waarschijnlijk vonden ze de persoonlijke aandacht van de zusters prettig. Toch wilde de katholieke ziekenhuizen het katholicisme blijven uitdragen.

Bekering van randkerkelijken, protestanten en af en toe zelfs Joden kwam dan ook regelmatig voor. Vanaf de jaren 1920 werd als de patiënten daar om vroegen een protestantse geestelijke toegelaten. Alle patiënten, ongeacht religieuze overtuiging, ontvingen dezelfde zorg maar moesten ook meedoen aan de typisch katholieke activiteiten en rituelen zoals feestdagen en de stilte voor het eten.

Verwijzingen

Beeld- en bronmateriaal

Literatuur

  • Jurjen Vis, Onder Uw Bescherming. De Katholieken en hun ziekenzorg in Amsterdam (Amsterdam 1998).
  • Arie Querido, Godshuizen en Gasthuizen. Een geschiedenis van de ziekenverpleging in West-Europa (Amsterdam 1967).
  • Duffhues, T., Felling, A. en Roes, J., Bewegende Patronen. Een analyse van het landelijk netwerk van katholieke organisaties en bestuurders 1945-1980 (Baarn 1985).
  • Broeder Werenfridus, Consequenties van de numerieke verschuiving tussen leken en religieuzen in Katholieke Ziekenhuizen (1963).
  • A.Sanders, “Het Katholieke Ziekenhuis”. De rol van de confessionaliteit in het ziekenhuis uitgevoerd door een commissie ingesteld door de beheersraad van het Centraal Bureau voor het Katholieke Ziekenhuiswezen (1969).
  • R.K. Ziekenhuis St. Joseph, Gedenkboek R.K. Ziekenhuis St. Joseph Venlo. Uitgave ter gelegenhuid van het 75-jarig bestaan op 1 juni 1936 (Heerlen 1936).
  • R.K. Ziekenhuis H. Joannes de Deo Den Haag, Gedenkboek bij gelegenheid van het 50-jarig bestaan van het ziekenhuis van Den H. Joannes de Deo (Den Haag 1923).
  • Huize Bethlehem Nijmegen, 1 november 1919-1944. Bij het 25-jarig bestaan van de stichting der Dominicanessen van het Allerheiligst Sacrament (Nijmegen 1944).
  • R.K. Gasthuis St. Elizabeth Tilburg, Gedenkboek. Stichting Het R.K. Gasthuis Sint Elisabeth Ziekenhuis Tilburg. 29 november 1954 (Tilburg 1954).
  • St Canisius ziekenhuis Nijmegen, Gedenkboek St Canisius Ziekenhuis Nijmegen 1926-1951 (Nijmegen 1951).

Externe links

  • Over het Sint Ignatiusziekenhuis Breda is meer lezen op de website van het ziekenhuis: [1].
  • Informatie over het Radboudziekenhuis is te vinden op hun website: [2].
  • Voor informatie over de tegenwoordige functie van een hospice, Hospice Bethlehem, bezoek de website: [3].
Persoonlijke instellingen