Katholieken en film in Nederland

Uit Digitaal Katholiek Erfgoedhuis

Ga naar: navigatie, zoeken

Binnen de katholieke zuil was lange tijd sprake van een ambivalente houding jegens de film. Gesproken kan worden van een ‘positieve’ en een ‘negatieve’ bemoeienis met het medium. De positieve bemoeienis uitte zich in initiatieven van de Katholieke Film Actie (KFA) om het bezoek van ‘goede’ films te stimuleren en in de productie en distributie van katholieke speelfilms en propagandafilms. Daartegenover stond de Katholieke Film Centrale (KFC), een stichting die een strenge filmkeuring uitvoerde voor een groot aantal katholieke gemeenten in Nederland.

Inhoud

De katholieke filmkeuring

De Vereeniging

Door de toename van het aantal bioscopen en speelfilms in Nederland klonken er in de jaren twintig steeds meer geluiden die een vorm van controle wensten op hetgeen in bioscopen vertoond werd. De angst was dat het gebrek aan zedelijkheid en moraliteit in veel films met name de jeugd uit de arbeidersklasse zou verleiden tot onzedelijk en crimineel gedrag. In veel gemeenten werden derhalve keuringscommissies in het leven geroepen die moesten beoordelen welke films vertoond mochten worden en voor welke leeftijd zij geschikt waren.

Een aantal katholieke gemeenten in Noord-Brabant en Limburg bundelde hun krachten door hun keuringsbeleid vanaf 1923 gezamenlijk onder te brengen in de ‘Vereeniging van Noord-Brabantsche en Limburgsche gemeenten ter gemeenschappelijke filmkeuring’. Tot ergernis van hun liberale en socialistische minderheden zouden uiteindelijk alle zuidelijke gemeenten lid worden. Bioscoopexploitanten die niet-toegelaten films toch vertoonden, liepen het risico hun vergunning te verliezen. De landelijke koepelorganisatie van bioscoopexploitanten en filmverhuurders, de Nederlandse Bioscoopbond (NBB), zag zich niet gekend in het besluit om de lokale keuringen te centraliseren en verzette zich tegen de regel dat filmverhuurders moesten meebetalen aan de keuringen. Het conflict liep dermate hoog op dat de NBB in 1924 besloot geen films meer te leveren aan de gemeenten die aangesloten waren bij de Vereeniging. Uiteindelijk werd het conflict beslecht met het besluit dat verhuurders niet langer hoefden mee te betalen.

De Katholieke Film Centrale (1929-1940)

In 1926 werd door de Tweede Kamer de Bioscoopwet uitgevaardigd. Hierin werd bepaald dat een (neutrale) centrale commissie bestaande uit leden van de vier grote zuilen alle films zou gaan keuren op toelaatbaarheid. Toegestane films mochten echter alsnog door gemeentelijke keuringsdiensten worden afgekeurd. De Vereeniging besloot hierop haar keuringswerk voort te zetten in de vorm van een katholieke nakeuring. Dit leidde wederom tot protest van de NBB: De Vereeniging organiseerde haar keuringen namelijk niet lokaal maar centraal. Het jarenlange conflict werd in 1929 beslecht met het zogenaamde ‘Accoord’. Er werd afgesproken dat de NBB zou aanvaarden dat bioscoopexploitanten zich voortaan vrijwillig zouden onderwerpen aan een nakeuring. Het stond gemeenten echter altijd vrij een vergunning voor een film in te trekken wanneer zij een gevaar zag voor de openbare orde en zedelijkheid. Exploitanten deden er daarom verstandig aan hun films wel ter nakeuring voor te leggen. De keuringen werden niet langer door de Vereeniging uitgevoerd maar uitbesteed aan de eerder dat jaar opgerichte Katholieke Film Centrale.

De katholieke leden van de rijkskeuring maakten een selectie van films die door de KFC herkeurd zou moeten worden; vooralsnog enkel films met als predicaat ‘18 jaar en ouder’. Omdat de KFC echter ontevreden was over de rijkskeuring van films voor alle leeftijden en voor films voor boven de 14 jaar, ging zij vanaf 1935 ook deze films keuren. Daarnaast sprak de KFC met de katholieke pers af dat er geen advertenties of recensies werden geplaatst van door de KFC ongeschikt bevonden films uit deze categorieën. De NBB reageerde met een opdracht aan haar filmverhuurders om geen films te leveren aan bioscoopexploitanten in de gemeenten die waren aangesloten bij de Vereeniging, waarop de KFC stopte met de keuring van deze categorieën. In 1939 werd echter in een nieuw gesloten Accoord vastgelegd dat de KFC deze films wel mocht gaan keuren.

In 1934 deed de KFC een voorstel om grotere uniformiteit te bereiken tussen katholieke pers en filmkeuring. Via de pers moesten katholieken die woonden in niet bij de Vereeniging aangesloten gemeenten toch gewaarschuwd worden voor bepaalde films. Sommige journalisten vreesden voor een aantasting van hun journalistieke vrijheid. Bovendien waren katholieke filmcritici niet onverdeeld enthousiast over de keuringen van de KFC. Vaak werden deze als niet streng genoeg ervaren. Afgesproken werd dat de pers het oordeel van de KFC zou volgen maar dat het journalisten wel vrij stond om te vermelden wanneer zij het hiermee oneens waren.

De Katholieke Film Centrale (1941-1967)

Vanaf 1941 was het op last van de Duitse bezetter de KFC niet langer toegestaan om films te keuren. Als stil protest werden er af en toe lijsten van eerder gekeurde films in kerken opgehangen in de hoop dat kerkgangers de afgekeurde films alsnog zouden boycotten. In december 1945 hervatte de KFC haar werkzaamheden. De Vereeniging veranderde haar naam in ‘Vereniging van Nederlandse Gemeenten voor Gemeenschappelijke Filmkeuring op Katholieke Grondslag’, zodat ook gemeenten buiten Limburg en Noord-Brabant lid konden worden, overigens zonder veel effect. Daarnaast weigerden filmverhuurders de keuringskaarten van de KFC mee te sturen naar gemeenten buiten Limburg en Noord-Brabant.

Hoewel de vooroorlogse keuringsnormen onveranderd waren gebleven, zou de KFC vanaf de jaren vijftig steeds soepeler gaan keuren. Dit vaak tot onvrede van de Vereeniging en van de in 1937 opgerichte Katholieke Film Actie (KFA). In de samenleving kwam het principe van de bevoogdende filmkeuring steeds meer ter discussie te staan. Steeds meer gemeenten besloten hun lidmaatschap van de Vereeniging op te zeggen omdat zij vonden dat een dergelijke nakeuring niet langer paste in het veranderende tijdsbeeld. Ook binnen de keuringscommissie zelf werd gediscussieerd over of het keuringswerk gecontinueerd moest worden. Een voorstel om de KFC om te vormen tot een adviesorgaan voor gemeenten haalde het niet. Door toedoen van de leegloop in de Vereeniging en de daarmee gepaard gaande financiële problemen werd in september 1967 besloten tot ontbinding van de Vereeniging. Daarmee verloor ook de KFC haar bestaansrecht.

De Katholieke Film Actie

De Katholieke Film Actie (1937-1941)

In 1936 vaardigde paus Pius XI de encycliek Vigilante Cura uit. Hierin riep hij katholieken wereldwijd op om in actie te komen voor de goede film en de ondeugdelijke film af te wijzen. Een jaar later kreeg zijn oproep in Nederland gehoor met de oprichting van de Stichting Katholieke Film Actie, officieel geheten Stichting Werk voor de Goede Film (niet te verwarren met de Federatie Katholieke Filmactie, 1935-1937). De KFA wilde een goede katholiekgeoriënteerde filmcultuur bevorderen. Hiervoor stimuleerde zij de ontwikkeling van een katholieke filmdistributie en -productie, werden door heel Nederland plaatselijke afdelingen opgericht, organiseerde men filmzondagen en werd een eigen filmblad uitgegeven (Katholiek Filmfront) dat onder redactie stond van de bekende katholieke filmcriticus Janus van Domburg. In het tijdschrift werd propaganda gevoerd voor 'de goede film' en voorlichting gegeven over het gehele filmwezen. De KFA hield zich tevens bezig met het verzamelen van ‘beloftes’. Door het invullen van een formulier beloofden katholieken plechtig geen films te bezoeken die door de KFC waren afgekeurd. Ook werden zij hiermee lid van de KFA. Rond 1940 was de KFA met ongeveer 150.000 leden een massaorganisatie geworden.

De Katholieke Film Actie (1942-1983)

In 1942 werd de KFA door de Duitse bezetter als ongewenste organisatie bestempeld. Na de oorlog hervatte de KFA haar werkzaamheden. Hoewel zij ambitieus van start ging, kwam het vooroorlogse succes niet meer terug. Zo ondervond de KFA concurrentie van de Nederlandse Film Actie (NFA), een neutrale organisatie die ook onder katholieke leden wierf. Daarnaast liepen verschillende initiatieven op niets uit. Zo kwam een bestedingsinstituut waarin katholieke zakenlieden zouden gaan adviseren over financiële aspecten van filmproductie niet van de grond. Ook bleef een onderzoek naar de gevolgen van bioscoopbezoek voor de jeugd zonder resultaat. Tevens kreeg de KFA buiten de zuidelijke provincies maar slecht voet aan de grond. Door een teruglopend ledenaantal en financiële moeilijkheden zag de KFA zich genoodzaakt om zich te herbezinnen op haar taak. In 1948 werd het lidmaatschap opgeheven en ontwikkelde de stichting zich steeds meer tot een scholings- en voorlichtingsinstituut op het terrein van film.

Dit nam niet weg dat de KFA zichzelf bleef zien als de leidende katholieke organisatie op het gebied van film. Zo was bijvoorbeeld al voor de oorlog de KFC onder haar toezicht geplaatst. In 1946 uitte de KFA haar ongenoegen over de in haar ogen te soepele nakeuringen van de KFC. Het gevolg was dat het bestuur van de KFC werd uitgebreid met een aantal bestuursleden van de KFA. Op deze manier wilde de KFA haar positie versterken. De banden werden nog nauwer toen rond 1950 de twee stichtingen voor korte tijd dezelfde voorzitter deelden. Dit betekende onder andere een centralisatie van de negatieve en positieve filmkeuringen. Waar de KFC zich bezighield met de toelaatbaarheid van films, had de KFA zich beziggehouden met de geschiktheid (of ‘aanbevelingswaardigheid’) van films. Voor de duur van het gedeelde voorzitterschap vloeide de ‘geschiktheidskeuring’ over naar de KFC. Na 1952 gingen beide stichtingen weer hun eigen weg.

In 1950 was de Werkcommissie voor Film en Jeugd opgericht. Deze stond onder toezicht van onder andere de KFA. Drie jaar later ging zij verder als de stichting Katholiek Filmcentrum voor de Jeugd (KFJ). Haar doelstelling was voornamelijk het beschermen van de jeugd tegen schadelijke films en het stimuleren van het bezoeken van waardevolle films. Het centrum kreeg dezelfde directie als de KFA. In 1954 werd er door de KFA/KFJ een eerste filmkaderschool voor de opleiding van docenten in het filmvormingswerk gesticht. Met de filmkadercursussen beoogde de KFA/KFJ een filmdocentenkorps voor allerlei vormen van onderwijs te realiseren. Hoewel de cursussen aanvankelijk op grote belangstelling konden rekenen, nam het aantal deelnemers gedurende de jaren zestig af. Ook waren er plannen voor een katholieke universitaire filmstudie in Nijmegen. Deze is echter niet van de grond gekomen.

In 1969 ging de KFA/KFJ samenwerken met de in 1946 opgerichte protestantse tegenhanger Christelijke Film Actie (CEFA) in de Film Informatie en Documentatie Dienst(FID): een werkgroep die zich bezighield met het adviseren van belangstellenden inzake filmbezoek. Een jaar later vormden zij de Federatie KFA/CEFA. De voornaamste bezigheid van de federatie was het, vaak in samenwerking met de KRO en NCRV, verzorgen van christelijk- levensbeschouwelijke cursussen in audiovisuele vorming aan religieuzen en leken. Onder druk van de overheid gingen de federatie en de FID in 1983 op in de neutrale stichting Landelijk Ontwikkelingsinstituut Kunstzinnige Vorming (LOKV).

Katholieke filmdistributie

Een andere ‘positieve’ manier om greep te krijgen op het medium film was door zelf de distributie van films ter hand te nemen. Door het verhuren van in binnen- en buitenland aangekochte ‘goede’ films en apparatuur aan katholieke organisaties werd een alternatief geboden voor de ‘onzedelijke’ films die werden vertoond in de reguliere amusementsbioscopen. In een alternatief vertoningscircuit van katholieke scholen, patronaatzalen, verenigingsgebouwen en ‘witte’ familiebioscopen, kregen toeschouwers films te zien die de toets der katholieke moraal wel konden doorstaan.

Vanaf 1913 werden er verschillende katholieke distributiebedrijven opgericht. De omvang was echter marginaal: door een gebrek aan financiële middelen en onderlinge samenwerking waren slechts weinig initiatieven succesvol. Het langstlopende initiatief ontstond in 1913 in de vorm van de NV Leliebioscoop. Dit filmverhuurbedrijf, opgericht door medewerkers van de Katholieke Sociale Aktie (KSA), werd geen succes doordat haar ‘normaal-formaat’ films enkel geschikt waren voor vertoning in reguliere bioscopen. Veel neutrale bioscoopexploitanten zagen echter weinig in de vertoning van deze ‘katholieke’ films. Nadat in 1926 de Leliebioscoop was voortgezet onder de naam NV Filmafdeeling der KSA werd de overstap gemaakt naar de distributie van smalfilms en smalfilmprojectoren. Deze waren wel geschikt voor gebruik in het alternatieve vertoningscircuit. Door aanhoudende geldproblemen kon de Filmafdeeling niet voldoende inspelen op technologische vernieuwingen in de internationale filmproductie en leek een opheffing onvermijdelijk.

In 1938 zou de Filmafdeeling opgaan in de NV Gofilex (Goede Film Exploitatie). Gofilex was, op initiatief van de KFA, een aantal maanden eerder opgericht. Hoewel Gofilex als commerciële organisatie officieel geen onderdeel mocht uitmaken van de KFA deed zij ‘alles in den geest van- en in samenwerking met de Katholieke Film-actie’. Zo verzorgde zij de filmavonden van de KFA. Tevens bestierde Gofilex een reisbioscoop en nam zij de financiering van twee filmproducties mede voor haar rekening: De sprekende spiegel (1939) en Notre Dame de la Mouise (1939). Tijdens de Duitse bezetting werd de filmvoorraad en –apparatuur in beslag genomen en werd het distributiebedrijf verboden. Na 1945 hervatte Gofilex haar vooroorlogse werkzaamheden. Ook legde zij zich toe op de exploitatie van een groot aantal kleine katholieke bioscopen in Nederland. Tot aan 1965 bleef de sterke band tussen de KFA en Gofilex bestaan.

Katholieke filmproductie

De ‘goede’ katholieke film

Janus van Domburg (midden)
Binnen de katholieke zuil is op beperkte schaal films geproduceerd. De meeste hadden het karakter van (korte) documentaires en propagandafilms. Voor de Tweede Wereldoorlog bestonden er ook ambitieuze pogingen om te komen tot een eigen filmproductie waarin op grote schaal ‘goede’ katholieke films zouden worden gemaakt. Dat ‘goed’ moest betekenen dat films moreel verantwoord waren, stond niet ter discussie, maar de meningen waren sterk verdeeld over welke vorm en inhoud zij moesten krijgen. Een groep katholieke filmcritici en cineasten rondom de filmjournalist Janus van Domburg was sterk beïnvloed door de in de jaren twintig opgekomen avant-garde-beweging en zag het medium film primair als kunstuiting met een eigen unieke beeldtaal. De vorm van de film was net zo bepalend voor de kwaliteit als de inhoud: beeldende en dramatische elementen moesten tot een geheel samenkomen om ‘schoonheidsontroering’ te geven. Vele anderen zagen niets in de katholieke kunstfilm en vestigden hun hoop op de productie van moreel verantwoorde commerciële amusementsfilms die geschikt waren voor een breed publiek.

Internationale Eidophon NV

De meest ambitieuze poging tot het komen tot een katholieke filmindustrie ontstond in 1932. Met pauselijke steun werd dat jaar door een aantal Nederlandse katholieken de Internationale Eidophon NV opgericht. Vanuit de moedermaatschappij in Amsterdam en dochtermaatschappijen in Duitsland en België zou Eidophon zich in internationaal verband gaan toeleggen op de productie en distributie van katholieke geluidsfilms voor de bioscoop. Volgens de initiators was het onverstandig om de focus te leggen op de productie van propagandafilms maar moest zij zich in eerste instantie gaan richten op het vervaardigen van commerciële amusementsfilms. Dit om een alternatief te kunnen bieden voor de onzedelijke Hollywood-films.

De maatschappij zou zich voorlopig niet gaan toeleggen op de productie van Nederlandse films. De productiekosten wogen namelijk niet op tegen de financiële baten van de kleine Nederlandse markt. Bovendien was de verwachting dat Nederlands gesproken films weinig afzet zouden vinden in het buitenland. De enige twee speelfilms van Eidophon zijn geproduceerd in Duitsland. De weinige aandacht die de films in de media kregen, was voornamelijk negatief. Filmcriticus Van Domburg was vernietigend over de films waarin, volgens hem, ieder katholiek element gemeden werd alleen om het financieel succes veilig te stellen.

Een succes werd Eidophon niet. In de korte duur van haar bestaan kampte het miljoenenproject met grote financiële problemen, een onervaren leiding en met twee mislukte filmprojecten. Tot slot had de Tweede Wereldoorlog een filmproductie vanuit Duitsland onmogelijk gemaakt. In maart 1934 werd Eidophon opgeheven.

De missiefilm

Cineast Piet van der Ham tijdens opnames van De Kruisvaart roept (1956)
Missiepater Simon Buis
Vanaf de jaren twintig tot in de jaren zestig gebruikten missieorden en -congregaties het medium film als middel om nieuwe leden te werven voor de missie en om inkomsten te genereren. In parochiehuizen maakten toeschouwers via bewegend beeld kennis met het goede werk van missionarissen in vaak verre exotische oorden. In de films overtuigde de missionaris de bevolking om hun heidense gebruiken af te zweren en de christelijke moraal over te nemen. Aanvankelijk hadden de films veelal het karakter van een documentaire gebaseerd op wat missiepaters hadden meegemaakt. Niet veel later werden ook ‘missie-speelfilms’ vervaardigd met veel aandacht voor drama en avontuur. Door deze films moest met name de jeugd geïnteresseerd raken in de missie. Erg geliefd waren de Flores-film (1925) en Ria Rago (1930), beiden van de missiepater Simon Buis.

Vanuit vooruitstrevende filmcritici en filmmakers onder leiding van Van Domburg klonk de kritiek dat de missiefilms ouderwets en oninteressant waren. Het was Van Domburg een doorn in het oog dat opdrachten van missieorden steevast voorbijgingen aan modernistische katholieke filmmakers. Dat veranderde enigszins toen eind jaren dertig de avantgardistische filmmaker Piet van der Ham de opdracht kreeg om een missiefilm in Noorwegen te maken: Het zaad ontkiemt op de rotsen (1940). Hoewel deze film nog jaren voor missie-activiteiten gebruikt zou worden, was hij in de ogen van critici (waaronder van Domburg zelf) artistiek gezien geen succes.

De Graalbeweging

Binnen de katholieke meisjesbeweging De Graal bestond sterk het besef dat film een uitermate geschikt communicatiemiddel was om de eigen boodschap over te brengen aan een groot publiek. Vooral de jeugd kon hiermee beter worden bereikt. Aanvankelijk waren het voornamelijk de massaspelen in stadions die op film werden vastgelegd. Nadat in 1935 de filmraad van de Graalbeweging was opgericht werden ook reportages over Graalactiviteiten, een enkele speelfilm, docudrama’s, opdrachtfilms en kunstzinnige producties vervaardigd. Deze werden vertoond tijdens tentoonstellingen en in de Graalhuizen. De filmraad bestond uit ongeveer tien vrouwen die zich fulltime bezighielden met film en fotografie en hier ook cursussen voor hadden gevolgd. Zij gebruikten technieken van Russische avantgardistische cineasten om de Graalgeest weer te geven. Het was vrij uniek dat vrouwen zich zo intensief bezighielden met het vervaardigen van films. Zowel binnen als buiten de katholieke zuil was dit een activiteit die doorgaans uitsluitend door mannen werd ondernomen.

De Katholieke Volkspartij

Vanaf de tweede helft van de jaren vijftig begon de Katholieke Volkspartij (KVP) film in te zetten als middel om het electoraat aan zich te binden. Verantwoordelijk voor de partijpropaganda was de Centrale Propaganda Advies Commissie (CPC). De wijze waarop zij invulling gaf aan propagandafilms is door de jaren heen qua vorm en inhoud sterk veranderd. Aanvankelijk hadden de films het karakter van klassieke propagandafilms waarin sterk de nadruk lag op de katholieke eenheid, identiteit en emancipatie. Dergelijke films werden vertoond binnen het alternatieve vertoningscircuit voor een publiek van katholieken. Dit veranderde in de jaren zestig door de opkomst van de televisie. Nu er via de Zendtijd voor Politieke Partijen en de KRO een groter publiek bereikt kon worden van ook niet-katholieken, wilde de CPC de KVP gaan presenteren als een volkspartij. Daar pasten andersoortige, meer indirecte propagandafilms bij. Zij kregen in toenemende mate het karakter van voorlichtingsfilms waarin in algemene zin gesproken werd over de politiek en over beleidsterreinen van KVP-bewindslieden. In sommige films werd de partij als zodanig niet eens genoemd. Dit veranderde na 1964 toen besloten werd om weer een sterkere KVP-signatuur aan de films te geven.

Verwijzingen

Beeld- en bronmateriaal

Literatuur

  • Appels, E., ‘Missie naar Flores. Pater Simon Buis SVD en zijn Flores-films, 1925-1934’, Jaarboek Stichting Film en Wetenschap – Audiovisueel Archief (1996) 7-31.
  • Bergsma, R., ‘’’Spreekt u film?’’, de katholieke cineast Piet van der Ham’, Jaarboek Stichting Film en Wetenschap – Audiovisueel Archief (1994) 74-101.
  • Cuijpers, P., ‘’’Met ernstig voorbehoud’’. Aspecten van de nakeuring door de Katholieke Film Centrale’ Jaarboek van het Katholiek Documentatie Centrum 2 (1972) 22-56.
  • Derks, M., ‘‘Stralende strijdlust, taaie zelfverloochening.’ De dynamiek van traditie en moderniteit in de Graalbeweging’, in: M. de Keizer en S. Tates ed., Moderniteit, modernisme en massacultuur in Nederland 1914-1940 (Zutphen 2004) 284-299.
  • Dibbets, K., ‘’’Een prachtkans voor een katholiek filmkartel.’’ Internationale Eidophon NV, 1932-1934’, Jaarboek Mediageschiedenis 2 (1990) 15-39.
  • Heuvel, J.H.J. van den, De moraliserende overheid. Een eeuw filmbeleid (Utrecht 2004).
  • Hogenkamp, B., ‘’Als paters filmen slaat den filmminnaar wel eens de schrik om het hart…’ Missiefilms tussen propaganda en filmkunst’, in J. van Vucht en M. Willemsen ed., Bewogen missie. Het gebruik van het medium film door Nederlandse kloostergemeenschappen (Hilversum 2012) 41-58.
  • Hogenkamp, B. ed., Jan Hin. Filmmaker van het verlangen (Hilversum 2004).
  • Meulenbeld, G-J., Geknipt voor katholieken. Een onderzoek naar de historische ontwikkeling van de houding van Nederlandse katholieken tegenover de film vanaf zijn ontstaan (1894) tot 1970 (Tilburg 1990).
  • Oort, T. van, Film en het moderne leven in Limburg. Het bioscoopwezen tussen commercie en katholieke cultuurpolitiek, 1909-1929 (Hilversum 2007).
  • Romijn, H., ‘De Katholieke Volkspartij: Voorlichting of propaganda. KVP-propagandafilms en –uitzendingen in de zendtijd voor politieke partijen, 1952-1964’, Jaarboek Stichting Film en Wetenschap – Audiovisueel Archief (1993) 11-35.
  • Slot, P., ‘Janus van Domburg (1895-1983). Filmpaus in Nederland’, Jaarboek Mediageschiedenis (1995) 98-110.
  • Slot, P., ‘Katholieken en film in Nederland, 1912-1949. Pogingen tot vorming van een katholieke filmzuil’, Jaarboek van het Katholiek Documentatie Centrum 21 (1991) 61-98.
  • Vliet, P. van, ‘De greep naar het ‘’Door God geschonken middel film’’. Het gebruik van film door de katholieke meisjesbeweging de Graal (1928-1942)’, Jaarboek Stichting Film en Wetenschap – Audiovisueel Archief (1992) 33-52.
  • Willemsen, M-A., ‘De fictieve kracht. De missiefilms van de missionarissen van Steyl (SVD)’, in J. van Vucht en M. Willemsen ed., Bewogen missie. Het gebruik van het medium film door Nederlandse kloostergemeenschappen (Hilversum 2012) 59-82.
  • Witt, R. de, ‘De katholieke reconstructie geprojecteerd op het witte doek. Janus van Domburg en zijn strijd voor de katholieke kunstfilm in de jaren twintig’, in: M. de Keizer en S. Tates ed., Moderniteit, modernisme en massacultuur in Nederland 1914-1940 (Zutphen 2004) 300-313.

Externe links

Persoonlijke instellingen