Jos van de Kolk

Uit Digitaal Katholiek Erfgoedhuis

Ga naar: navigatie, zoeken

Johannes Josephus van de Kolk (Wanroij, 27 januari 1879 - Arnhem, 1930) was een Nederlandse missionaris van het Heilig Hart. Van de Kolk trad in 1900 toe tot de congregatie Missionarissen van het Heilig Hart (MSC) en werd in 1908 tot priester gewijd. Twee jaar later vertrok hij naar Merauke in Nederlands-Nieuw-Guinea. Van de Kolk behoort tot een van de missiepioniers van de zuidkust van Nieuw-Guinea, omdat hij in 1910 op ongeveer 125 kilometer van Merauke de nieuwe missiestatie Okaba stichtte. In 1915 werd hij overgeplaatst naar Kei en benoemd tot missieoverste. Na zijn loopbaan in Nieuw-Guinea keerde Van de Kolk in 1922 terug naar Nederland, waar hij op tweeënvijftig jarige leeftijd overleed.

Van de Kolk heeft tijdens zijn missiewerkzaamheden met wetenschappelijke belangstelling geschreven over de Marind-Anim, het volk waaronder hij en zijn collega’s hebben gewerkt. Hij schreef diverse bijdragen in De Java Post en de Annalen van onze Lieve Vrouw van het Heilig Hart, en een boek over de culturele aspecten, talen en dialecten van de volkeren in Zuid-Nederlands-Nieuw-Guinea. Bovendien leverde hij een bijdrage aan verschillende Marind-Nederlandse woordenboeken.

Inhoud

Levensloop

Jos van de Kolk groeide op in Wanroij, Noord-Brabant. Op jonge leeftijd was hij ruim vijf jaar misdienaar van de lokale kerkgemeenschap en later vetrok hij naar Heverlee (Belgie) om theologie te studeren. In het laatste jaar van zijn studie liet hij al doorschemeren interesse te hebben om als missionaris naar Nieuw-Guinea te vertrekken. In 1908 rondde Van de Kolk zijn studie af en werd hij tot priester gewijd in Mechelen. In 1909 kreeg hij te horen dat de reeds in Nieuw-Guinea aanwezige pater H. Nollen (MSC) behoefte had aan versterking. In december vertrok Van de Kolk dan ook naar Merauke. Lang duurde het verblijf in Merauke niet; in juli 1910 stichtte Van de Kolk de nieuwe missiestatie Okaba.

In 1915 werd Van de Kolk overgeplaatst naar Langoer op de Kei-eilanden en benoemd tot missieoverste. Hoewel dit als een promotie gezien kon worden, was Van de Kolk niet gelukkig met zijn benoeming: hij was niet langer in staat zijn werkzaamheden in Okaba voort te zetten. Na zeven jaar keerde Van de Kolk terug naar Nederland, mogelijk door ziekte.

Na terugkomst in Nederland wilde hij in retraite bij de Trappisten op Eulingsheide, te Tegelen om tot zichzelf te komen na zijn missionaire activiteiten. Desalniettemin bleef de missie hem trekken. In een brief aan de Pater Provinciaal van 8 juni 1925, die hij schreef in Tilburg, legde hij zijn dubbele gevoelens uit. Enerzijds had hij naar eigen zeggen tijdens de missie te weinig aandacht kunnen schenken aan zijn eigen spirituele leven. Anderzijds wilde hij bij de Trappisten om ‘beter voor onze lieve Heer’ en ‘in stilte te gaan leven’. Daarnaast hield hij van de vrijheid, de natuur en de ‘aanhankelijkheid van de mensen’ in Nederlands-Nieuw-Guinea. Hoewel Van de Kolk uiteindelijk meer neigde naar de Trappisten, bleef hij verbonden aan het MSC, dat immers een belangrijke rol had gespeeld in zijn leven. Zo bekleedde hij een tijdelijk professoraat in Arnhem, was hij prefect van de studiën in Tilburg en werd hij in 1928 overste van de filosofie-afdeling in Arnhem. Bovendien gaf Van de Kolk verschillende lezingen over de Papoea’s, onder andere tijdens de Indische dag van 3 december 1924 aan de Katholieke Universiteit Nijmegen.

Aan zijn verblijf in Nieuw-Guinea had Van de Kolk een kwaal aan zijn ingewanden overgehouden, waardoor hij al na een half jaar na zijn terugkomst een groot gedeelte van zijn werkzaamheden op doktersadvies moest staken. Jos van de Kolk overleed op 13 april 1930 in het missiehuis te Arnhem. Zijn stoffelijke resten werden op 16 september 1971 overgebracht naar Tilburg. Volgens Van de Kolks testament, dat op 19 september 1909 was opgesteld, is een deel van de erfenis van zijn ouders nagelaten aan de broeders en zusters van het MSC, met het verzoek een gift te doen aan de missie op Nieuw-Guinea, de Hollandsche Provincie der Missionarissen en aan de kerk van Wanroy. Ander geërfd vermogen dat hem toe zou komen, liet hij na aan de missie op Nederlands Nieuw-Guinea.

Missie in Nederlands Zuid Nieuw-Guinea

Merauke

De Missionarissen van het Heilig Hart stichtten in 1905 hun eerste missiepost in Merauke, niet ver van de grens met Brits-Nieuw-Guinea. Sinds 2 februari 1902 was dit namelijk een van de Nederlandse De Missionarissen van het Heilig Hart stichtten in 1905 hun eerste missiepost in Merauke, niet ver van de grens met Brits Nieuw-Guinea. Sinds 2 februari 1902 was dit de Nederlandse bestuurspost aan de zuidkust van Nederland Nieuw-Guinea. Van de Kolk arriveerde in november 1909 op de missiepost, nadat hij per schip naar de Kei-eilanden was gekomen. Op de Kei-eilanden en in Merauke trof Van de Kolk de eerste voorbereidingen voor het opzetten van een nieuwe missiestatie. Zijn eerste indrukken van de missiepost in Merauke waren positief. De omstandigheden waren beter dan hij vooraf ingeschat had en hij was dan ook voornemens om zo snel mogelijk aan de slag te gaan.

Desalniettemin kende Van de Kolk een moeilijke start. Allereerst zag hij zich geconfronteerd met een flinke taalbarrière. De missionarissen nog over onvoldoende kennis van de Marind-taal beschikten, waardoor de communicatie met de Marind-Anim daardoor moeizaam verliep. Daarnaast hadden de Marind-Anim, althans volgens Van de Kolk, een relatief afstandelijke houding jegens de missionarissen. Naarmate de missiewerkzaamheden voortduurden nam het vertrouwen echter toe, met name omdat de missionarissen de zieken verpleegden. Van de Kolk werd na verloop van tijd door sommige Marind-Anim zelfs ‘de goede man’ genoemd .

Hoewel het aantal bekeringen in Merauke achterbleef, troostte Van de Kolk zich met de gedachte dat de protestantse zending in vergelijking met de katholieke missie nog minder succes had behaald. Gevolg van het achterblijven van bekeringen was dat de taakverdeling van de missiewerkzaamheden herzien werd. Pater J. van der Kooy (MSC) diende zijn aandacht te richten op de dorpen ten oosten van Merauke, terwijl Van de Kolk de opdracht kreeg om een nieuwe missiestatie in Okaba te stichten. Okaba kon namelijk een belangrijke uitvalsbasis worden van de missie, omdat in de aangrenzende dorpen duizenden Marind-Anim woonden. In juli 1910 begon Van de Kolk, vergezeld door broeder Norbertus Hamers (MSC), aan de vijftien uur durende reis van 60 kilometer van Merauke naar Okaba.

Okaba en de Kei-eilanden

Kort na aankomst besloot Van de Kolk om kokosplantages aan te leggen, om met de productie van kokosolie de missiewerkzaamheden in het gebied te kunnen bekostigen. De missietuinen aan de zuidkust van Nederlands Nieuw-Guinea hadden echter ook een didactisch doel: de missionarissen wilden het goede voorbeeld geven aan de, in hun ogen luie, Marind-Anim. Daarnaast poogde Van de Kolk in 1911 een school te stichten in Okaba, maar dat mislukte omdat de Marind-Anim hun kinderen nauwelijks naar school lieten gaan en het schoolgebouw uiteindelijk gebruikt werd als opslagplaats. Ook op een andere wijze werd getracht de Marind-Anim te ‘beschaven’: vanaf 1911 deelden de missionarissen kleren uit. Dit leek aanvankelijk een succesvolle zet, maar na een aantal weken weigerden de Marind-Anim kleding nog te dragen.

Kenmerkend voor de missionaire activiteiten in Okaba was de in 1913 opgerichte modelkampong. Het idee om modelkampongs, modeldorpen, op te richten was echter niet nieuw: pater Jos Viegen (MSC) had het idee om modeldorpen te bouwen in Nederlands-Indië reeds in 1911 geïntroduceerd. In de modelkampongs moesten de Marind-Anim samenleven in min of meer Westerse samenlevingsmodellen en lag de nadruk vooral op zedelijkheid. De Marind mochten niet langer in de gebruikelijke gescheiden mannen- en vrouwenhuizen leven, maar moesten in gezinswoningen leven die zij zelf moesten bouwen. Zij dienden Westerse kleren te dragen en moesten bovendien leren werken, bijvoorbeeld in moestuinen. De huizen, kleren en tuinen werden ter beschikking gesteld door de missie. De Marind-Anim werkten echter niet voor de missie, maar voor zichzelf. In de modelkampong werden de Marind-Anim weliswaar niet gedwongen om naar de kerk te gaan of om godsdienstig onderwijs te volgen, maar in de praktijk bleken zij dat wel te doen. Na het sluiten van een huwelijk tussen Marind-Anim werd het betreffende bruidspaar verplicht om zich in de modelkampong te vestigen. Het concept van de modelkampons kreeg echter veel kritiek: de missionarissen werd verweten dat zij de Marind-Anim uit hun natuurlijke staat haalden, zeker omdat het soms ook met militaire dwang was gebeurd.

Het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog op het Europese continent had gevolgen voor de missiewerkzaamheden in Nederlands-Nieuw-Guinea: de missie kreeg te kampen met een aanzienlijk geldtekort. Vanaf 1914 verminderde daardoor de missieactiviteiten, waaronder de bouw van modelkampongs in Okaba en Merauke.Het het idee van de modelkampongs werd in 1920 nader uitgewerkt en gerealiseerd onder leiding van Pater P. Vertenten (MSC). Van de Kolk zelf had in 1915 Okaba al verlaten omdat hij een benoeming als missieoverste op de Kei-eilanden had aanvaard. Hij keek met plezier terug op zijn tijd in Okaba, in tegenstelling tot de Kei-eilanden, waar hij naar eigen zeggen last had van ‘drukte, verstrooidheden en bestuurszorgen’. In 1922 keerde hij terug naar Nederland.


Etnografie

Missionarissen hebben een belangrijke bijdrage geleverd aan de kennisgaring over de verschillende volkeren in de missiegebieden. Dit gebeurde volgens de toen gangbare ideeen over antropologie, toen nog aangeduid als volkenkunde. De antropologie als een wetenschappelijke discipline ontstond in de negentiende eeuw - een periode van imperialisme en kolonialisme. De discipline ontwikkelde zich - in nauwe samenwerking met andere disciplines, zoals geschiedenis, linguïstiek en sociologie - pas echt sterk in het begin van de twintigste eeuw. Aanvankelijk was het cultureel evolutionisme de heersende theorie in de antropologie: er zouden verschillende rassen zijn en deze rassen verschilden in stadia van ontwikkeling. De Europeanen zouden zich bovenaan de beschavingsladder bevinden en andere volkeren stonden (veel) lager. Fysieke kenmerken werden gebruikt om de rassen te classificeren. Daarnaast werden veel culturele gebruiken en gewoonten beschreven en aangemerkt als primitieve beschavingsuitingen. Een aanzienlijke bijdrage werd bovendien geleverd door de missionarissen en zendelingen in de koloniën: zij beschikten namelijk vaak over een indrukwekkende kennis van de plaatselijke cultuur, spraken de lokale talen en onderhielden vaak relatief goede banden met de plaatselijke bevolking.

Van de Kolk behoort tot de generatie missionarissen die het volk waarmee ze werkten met wetenschappelijke belangstelling bestudeerden. Van de Kolk publiceerde met enige regelmaat artikelen over zijn etnografische bevindingen in de Annalen van onze Lieve Vrouw van het Heilig Hart en de Java-Post. Weekblad voor Nederlandsch-Indië. In andere tijdschriften heeft Van de Kolk nagenoeg niet gepubliceerd. Vrijwel alle publicaties lijken gebaseerd te zijn op zijn persoonlijke notities. Meermaals beschrijft hij daarin zeer uitgebreid de verschillende culturele gebruiken en de geschiedenis van de volkeren. Deze aantekeningen werden aangepast, geredigeerd om vervolgens gepubliceerd te kunnen worden. Van de Kolk had met name een grote interesse in de taal van de Marind-Anim: hij heeft vele notities met vertaalde Marind-woorden opgesteld. Het studiemateriaal dat Van de Kolk verzamelde over de taal van de Marind-Anim resulteerde bijvoorbeeld in 1918 in een woordenboek Nederlands-Marind. Daarnaast hielp hij zijn collega H. Geurtjes bij de publicatie van een woordenboek Marind-Nederlands in 1933. Bovendien schreef Van de Kolk een boek over de culturele gebruiken van de Marind-Anim in Bij de oermenschen van Nederlandsch-Zuid-Nieuw-Guinea. Overigens heeft pater J. Zandvliet (MSC) zich na het overlijden van Van de Kolk beziggehouden met de verdere publicatie van het etnografisch materiaal van Van de Kolk, dat bovendien aangeboden werd aan de secretaris van het Instituut Nederlandse taal, land- en volkenkunde van Nederlands-Indië.

Van de Kolk had dus een grote interesse in de Marind-Anim; hij deed zijn best om hen zo goed mogelijk te kunnen doorgronden. Daarom probeerde hij het ‘Marindinees’ machtig te worden en de culturele gebruiken van de Marind zo goed mogelijk te begrijpen. De primaire doelstelling bleef echter dat de Marind-Anim bekeerd moesten worden. De informatie die over hen verzameld werd moest het bekeringsproces ten goede komen. Juist door kennis van de taal en cultuur op te doen, zo was de gedachte, konden de volkeren makkelijker bekeerd worden door de Europese missionarissen. Uit het archiefmateriaal dat Van de Kolk heeft nagelaten valt af te leiden dat hij veel contact onderhouden heeft met de plaatselijke bevolking. Desalniettemin was zijn houding jegens de Marind-Anim enigszins ambigu. Enerzijds zag hij hen inderdaad als vriendelijke en aardige mensen, maar anderzijds had het koloniale perspectief hem stevig in de greep; Van de Kolk zag de Marind als vriendelijk, maar zette ze in zijn notities en publicaties tegelijkertijd weg als onbeschaafde en wilde oermensen. Dit was niet uniek: vrijwel alle missionarissen bevonden zich in dit spanningsveld. Geheel verwonderlijk is dat niet, want de missionarissen leefden dagelijks en vaak jarenlang tussen de volkeren. De paters woonden in hetzelfde dorp, bezochten sommige culturele gebruiken en poogden de plaatselijke taal te spreken. Daardoor is ongetwijfeld een zekere band, en wellicht zelfs wederzijds vertrouwen, ontstaan tussen de missionarissen en de Marind-Anim.

Selectie bibliografie

Kolk, van de, Jos, Bij de Oermenschen van Nederlandsch Zuid-Nieuw-Guinea (Sittard, 1919).

Kolk, van de, Jos en Vertenten, Petrus, Marindineesch Woordenboek (Weltevreden, 1922).

Kolk, van de, Jos, ‘Marindineesche verwantschapsbetrekkingen’, Bijdragen tot de Taal-, Land- en Volkenkunde van Nederlandsch-Indië (Den Haag, 1926).

Kolk, van de, Jos, diverse bijdragen in: Almanak van O.L Vrouw van het H. Hart (Tilburg, 1911-1926).

Kolk, van de, Jos, diverse bijdragen in: De Javapost, Weekblad van Nederlandsch-Indië (1910-1913).

Verwijzingen

Literatuur

  • Baal, J. van, Ontglipt verleden. Verhaal van mijn jaren in een wereld die voorbij ging (Franeker, 1986).
  • Baptist, H. e.a, Een kwarteeuw apostolaat: Gedenkboek bij het zilveren jubileum van de missie in Nederlansch- Nieuw-Guinea en de Molukken 1903-1928 (Tilburg, 1928).
  • Boelaars, J., Met de Papoa’s samen op weg. Deel 1: De pioniers. Het begin van een missie (Kampen, 1992).
  • Cornelissen, J. F. L. M, Pater en papoea: Ontmoeting van de Missionarissen van het Heilig Hart met de cultuur der papoea's van Nederlands Zuid-Nieuw-Guinea (1905-1963) (Kampen, 1988).
  • Dorren, Gabrielle Maria Elisabeth, Door de wereld bewogen: geschiedenis van de Nederlandse Missionarissen van het heilig Hart (MSC) (Hilversum, 2004).

Archivalische bronnen

  • St. Agatha, Erfgoedcentrum Nederlands Kloosterleven (ENK), Archief Missionarissen van Het Heilig Hart (MSC), AR-P027, 367 Persoonsdossier Jos van de Kolk.
  • St. Agatha, Erfgoedcentrum Nederlands Kloosterleven (ENK), Archief Missionarissen van Het Heilig Hart (MSC), AR-P027, 5006
Persoonlijke instellingen