Geestelijke gezondheidszorg

Uit Digitaal Katholiek Erfgoedhuis

Ga naar: navigatie, zoeken
Psychiatrische inrichting St. Willibrordusstichting te Heiloo

De term ‘katholieke geestelijke gezondheidszorg’ heeft betrekking op zowel de (klinische) zorg voor geesteszieke patiënten als de voorlichting aan de katholieke bevolking ter preventie van geestelijke ongezondheid. Pas in de negentiende eeuw groeide het idee dat de maatschappij verantwoordelijk was voor de zorg voor de sociaal en psychisch zwakkeren (al ging (her)opname in de samenleving nog te ver); daarvoor werden deze mensen zoveel mogelijk buiten de maatschappij gehouden,. De katholieken in Nederland begonnen in de jaren twintig als eerste de geestelijke gezondheidszorg te moderniseren.

Inhoud

Geschiedenis geestelijke gezondheidszorg

De term ‘katholieke geestelijke gezondheidszorg’ heeft betrekking op zowel de (klinische) zorg voor geesteszieke patiënten als de voorlichting aan de katholieke bevolking ter preventie van geestelijke ongezondheid. Pas in de negentiende eeuw groeide het idee dat de maatschappij verantwoordelijk was voor de zorg voor de sociaal en psychisch zwakkeren(al ging (her)opname in de samenleving nog te ver): daarvoor werden deze mensen zoveel mogelijk buiten de maatschappij gehouden. Een nieuwe, actievere vorm van gezondheidszorg kwam in het begin van de twintigste eeuw uit de Verenigde Staten: de ‘movement for mental hygiene’. Het veld der geestelijke gezondheidszorg werd uitgebreid: de veeleisende industriële samenleving veroorzaakte veel psychologische problemen die liefst voorkomen maar ook genezen moesten worden.

In Nederland pikten de katholieken het idee als eerste op: vanaf het midden van de jaren twintig begonnen ze met organiseren van hun beweging, handelend vanuit de opvatting dat een goed katholiek geloofsleven heilzaam was voor de geestelijke gezondheid. Het initiatief kwam van ‘bovenaf’: hooggeschoolde priesters en leken pasten de vernieuwende Amerikaanse manier van denken toe op de Nederlandse situatie. Dit leidde in 1930 tot de stichting van de Rooms Katholieke Charitatieve Vereniging voor Geestelijke Volksgezondheid door de psychiater C.T. Kortenhorst. Door samenwerking met het Wit-Gele Kruis kon men de bevolking gemakkelijk bereiken. De Charitatieve Vereniging werd in 1949 omgedoopt tot Katholieke Centrale Vereniging voor Geestelijke Volksgezondheid (KCV). In 1952 werd het Katholiek Nationaal Bureau voor Geestelijke Gezondheidszorg (KNBGG) opgericht: dit bureau zou het uitvoerend orgaan van de KCV worden.


Rooms Katholieke Charitatieve Vereniging voor Geestelijke Volksgezondheid (KCV)

Psychiater Carel Kortenhorst

De Rooms Katholieke Charitatieve Vereniging voor Geestelijke Volksgezondheid (vanaf 1949: Katholieke Centrale Vereniging voor Geestelijk Volksgezondheid, KCV) werd in 1930 door de psychiater Carel Kortenhorst opgericht. De KCV concentreerde zich, zeker na de oprichting van de meer op de praktijk gerichte KNBGG in 1952, op principiële kwesties en theorievorming (bijvoorbeeld positiebepaling ten opzichte van de seksuele moraal). Dit gebeurde op vele manieren. Er werden werkgroepen en commissies opgericht, later organiseerde men ook studiedagen en cursussen. Tijdens deze studiedagen werden lezingen gehouden en door de (meestal academische) bezoekers werden vele studies en onderzoeken gepubliceerd. Deze activiteiten waren de bron van veel, vaak vernieuwende, theorievorming rondom de relatie tussen geestelijke gezondheidszorg en het katholicisme.

In de jaren 1960 leidde de groeiende maatschappelijke twijfel over de relevantie van een specifiek katholieke vorm van geestelijke gezondheidszorg tot discussie. In 1972 (toen de Nederlandse ontzuiling voor het overgrote deel compleet was) fuseerde het KNBGG dan ook met de andere drie landelijke organisaties tot het Nederlands Centrum voor Geestelijke Volksgezondheid (NSGV). Kort voor de fusie was de KCV echter omgevormd tot het Katholiek Studiecentrum voor Geestelijke Volksgezondheid (KSGV). Dit instituut bestaat nog steeds: ze proberen de religie terug in de geestelijke gezondheidszorg te plaatsen.

Katholiek Nationaal Bureau voor Geestelijke Gezondheidszorg (KNBGG)

Het Katholiek Nationaal Bureau voor Geestelijke Gezondheidszorg (KNBGG) werd in 1952 opgericht. Alhoewel er nauwe samenwerking was tussen de KCV en het KNBGG richtte de laatste zich meer op de praktijk: ze hield zich bezig met zowel de ondersteuning van de aangesloten bureaus en psychiatrische instellingen als voorlichting van de katholieken op het gebied van huwelijk, opvoeding en seksualiteit. De door de KCV ontwikkelde ideeën moesten in de praktijk toegepast worden: ‘studiedagen zijn mooi, maar er moet ook gewerkt worden’. Het KNBGG werkte vanuit een breed scala aan invalshoeken: de directeur, A.J.H. Bartels, een econoom en organisatiedeskundige, werd bijgestaan door adviseurs uit de academische werelden van de psychologie, sociologie en psychiatrie. Bartels was voordat hij directeur bij het KNBGG werd de tweede secretaris van het Wit-Gele Kruis. Hij had overal contacten en zat dan ook ‘overal tussen’: deze werkwijze zorgde ervoor dat het KNBGG op een zeer uitgebreid en divers gebied haar mentaliteitsveranderende geluid kon laten horen.

Het KNBGG richtte zich op vier grote activiteiten. Als eerste was er de algemene beïnvloeding van de publieke opinie. Dit gebeurde door middel van onder andere publicaties (brochures, folders, posters) en lezingen voor grote zalen. Met name tijdens de in de jaren vijftig en zestig steeds drukker bezochte Algemene Ledenvergadering werden nieuwe denkbeelden doorgegeven. Ten tweede was er de meer preventieve, gerichte beïnvloeding van bepaalde bevolkingsgroepen zoals onderwijzers, ouders en sociale werkers. Er werden werkgroepen en commissies opgericht om deze mensen te helpen of ze voor te lichten. Ten derde gaf men specifieke therapie voor mensen met geestelijke ‘noden’. Deze therapie vond plaats bij de vele bureaus die hun secretariaat bij het KNBGG hadden. Niet alleen mensen die geestelijk gestoord waren konden hier terecht, ook mensen die vonden dat hun leven te druk werd of die hun levensstijl wilden veranderen waren welkom. Met name het Medisch Opvoedkundig Bureau had een voor die tijd zeer geavanceerde methodiek. Ten slotte is nog te wijzen op de sociaal-charitatieve activiteiten voor de mensen die buiten maatschappij vielen en daar ook behandeld werden. Hiermee probeerde men de geestelijk gestoorden die niet op een gebruikelijke manier in de samenleving opgenomen konden worden, toch te rehabiliteren. Wanneer dit toch niet lukte wilde men de krankzinnigen, vaak vanuit de caritasgedachte, toch goed verzorgen. Deze mensen hadden ook recht op een menswaardig bestaan.

Speelkamer in een van de Medisch Opvoedkundig Bureaus (MOB)

De vier grootste bij het KNBGG aangesloten bureaus laten goed zien hoe men de geestelijke gezondheidszorg in de praktijk organiseerde. Als eerste is het Centrum Katholieke Medisch Opvoedkundige Bureaus (CKMOB) te noemen, dat zijn zorg op het ‘moeilijk kind’ concentreerde. Wanneer de ouders of instanties om hulp vroegen dan nam het CKMOB zorg voor de ‘psychische ontspanning’ van het kind. Men werkte vanuit het idee dat men het hele milieu van een kind moest beïnvloeden om het kind te helpen. Als tweede is de Katholieke Nationale Commissie voor Huwelijksvoorlichting, vanaf 1965 het Centrum Katholieke Huwelijksbureaus (CKH), van belang. Dit was een zeer belangrijke pilaar van het KNBGG: het huwelijk werd als instrumenteel geacht in een geestelijk gezonde thuissituatie en samenleving. Om deze reden was men al sinds de jaren 1930 bezig met het beïnvloeden van huwelijken. Dit was bovendien bedoeld als ‘tegengif’ voor de in die tijd ook populaire neomalthusiaanse bureaus. Net als in het KNBGG zelf bekeek men de zaken ook hier vanuit een breed perspectief: een moraaltheoloog, psychiater, gynaecoloog, veneroloog, hygiënist, huisarts en een vertegenwoordiger van het Wit-Gele Kruis hadden allemaal zitting in dit bureau. Zowel ongehuwden als gehuwden bezochten de bureaus: eerstgenoemden meestal voor seksuele voorlichting en adviezen, de laatsten voor adviezen bij huwelijksconflicten maar vooral ‘huwelijksbeleving volgens de normen van de Katholieke Kerk’ (dit ging dan vooral over geboorteregeling). Ten derde was er het Centrum Katholieke Alcoholistenbureaus (CKA), opgericht in 1953. Bij de aangesloten bureaus werd gratis advies en medische hulp verleend aan katholieken die deze hulp nodig hadden. Ook kon opname van een alcoholist in een inrichting geregeld worden. Ten slotte was er vanaf 1959 het Centrum Katholieke Psychiatrische Voor- en Nazorgdiensten (CKPVN). Geestelijke voor- en nazorg is sociaal-psychiatrische hulp die ervoor zorgt dat een geestelijk gestoorde ofwel niet in een inrichting opgenomen hoeft te worden doordat hij genezen wordt, ofwel door snelle genezing eerder uit een inrichting ontslagen kan worden. In dit laatste geval wordt ook de terugkeer in de maatschappij intensief begeleid. Deze soort zorg was er al sinds de jaren 1930, maar in de jaren 1950 verdubbelde het aantal bureaus. Psychiaters hielden spreekuren waar mensen met problemen op bezoek konden, al waren deze lang niet altijd voldoende opgeleid en kampte de CKPVN vaak met financiële problemen.

In de jaren 1960 leidde de groeiende maatschappelijke twijfel over de relevantie van een specifiek katholieke vorm van geestelijke gezondheidszorg tot discussie. In 1972 (toen de Nederlandse ontzuiling voor het overgrote deel compleet was) fuseerde het KNBGG dan ook met de andere drie landelijke organisaties tot het Nederlands Centrum voor Geestelijke Volksgezondheid (NSGV). Dit was de voorloper van de Regionale Instelling voor Ambulante Geestelijke Gezondheidszorg (RIAGG), dat in 1982 werd opgericht.

Wisseling van de wacht en wetenschappelijke vernieuwingen

De organisatie van de katholieke geestelijke gezondheidszorg in Nederland was in handen van het Katholiek Nationaal Bureau voor Geestelijke Gezondheidszorg (KNBGG). De Katholieke Centrale Vereniging voor Geestelijke Volksgezondheid (KCV) hield zich meer bezig met theorievorming. Voor de Tweede Wereldoorlog hadden de leiders van het Wit-Gele Kruis en de (meestal conservatieve) katholieke artsen het voor het zeggen in deze organisaties. Vanaf de jaren 1950 werden de leiders echter mensen uit de universitaire wereld van de psychologie. Hiermee veranderde de relatie tussen geloof en gezondheid ingrijpend.

F.J.J.Buytendijk

Er ontwikkelde zich binnen de universitaire katholieke kringen een streven naar de bestrijding van het ‘verkrampt geloof’: er was een discrepantie ontstaan tussen de strenge voorschriften van het geloof (met name de seksuele moraal) en de praktijk van het leven. Deze situatie was ‘geestelijk ongezond’, een term die duidt op een omslag in denken: het strikt volgen van de leer werd nu juist als ‘gekmakend’ gezien. De hoogleraar psychologie F.J.J. Buytendijk (voorzitter van de Charitatieve Vereniging vanaf 1948) streed samen met andere kopstukken als Bartels, H.J.C.M.G. Ruygers en de psychiater C.J.B.G. Trimbos voor deze ‘geestelijke bevrijding’. Buytendijk was een bekeerling (in zijn studietijd aan de VU was hij gereformeerd-protestants) en had hierdoor een ongewone kijk op het katholicisme. Hij stelde dat er bij de Nederlandse katholieken sprake was van een ‘lijden aan het geloof’. Om deze reden moest de katholieke geestelijke gezondheidszorg niet alleen aan de gebruikelijke ‘hulpverlening’ doen, maar ook de levenswijze van de katholieken gaan beïnvloeden zodat ze zich konden bevrijden van hun angsten en onvrijheden.

Trimbos hield in 1960 en 1961 bij de KRO vele praatjes over de geestelijke gezondheid van het huwelijk en gezin. Doordat hij met veel gemak sprak over gevoelig liggende onderwerpen als seksualiteit werd Trimbos populair bij heel katholiek Nederland. Velen schreven hem om advies. Trimbos werd een ‘Bekende Nederlander’; men beschouwde hem zelfs als het ‘gezicht’ van de katholieke geestelijke gezondheidszorg.

Aan de universiteit van Nijmegen werden veel nieuwe theorieën met betrekking tot geestelijke gezondheidszorg ontwikkeld. De hoogleraren psychologie P. Calon en H. Fortmann waren sleutelfiguren in deze zogenaamde ‘psychologie van Nijmegen’. Fortmann vond dat de ‘nieuwe opdracht’ die Buytendijk opgesteld had betekende dat het ‘psychische’ losstond van het ‘religieuze’ en het ‘ethische’. De vraag moest volgens hem niet meer zijn: ‘is het goed’, maar ‘is het gezond?’ Niet alleen het universitair publiek van Calon en Fortmann maar ook ‘gewone’ priesters en katholieken gingen door de psychologisering van het katholicisme twijfelen aan zaken als de zondigheid van de seksuele moraal. Deze bevindingen waren een belangrijke bouwsteen voor de 'aggiornamento'-beweging.

Fusering en secularisering

Pagina uit een brochure van de KNBGG uit 1960

De organisatie van de katholieke geestelijke gezondheidszorg in Nederland was in handen van het Katholiek Nationaal Bureau voor Geestelijke Gezondheidszorg (KNBGG). De Katholieke Centrale Vereniging voor Geestelijke Volksgezondheid (KCV) hield zich meer bezig met theorievorming. De in de jaren 1950 gestalte krijgende verzorgingsstaat zorgde er echter voor dat de overheid steeds meer subsidiegelden in de verschillende bureaus voor geestelijke gezondheidszorg stopte. In ruil stelde de overheid wel voorwaarden. Een voorbeeld is geschool personeel, of zelfs een voldoende percentage gehandicapten dat woonachtig was binnen een bepaalde straal van een Buitengewone Lagere School. Dit droeg bij aan de professionalisering van de zorg.

In de jaren 1960 leidde de groeiende maatschappelijke twijfel over de relevantie van een specifiek katholieke vorm van geestelijke gezondheidszorg tot discussie. Het KNBGG ging bovendien door het praten over onder andere het legaliseren van abortus regelmatig tegen de katholieke leer in. In 1972 (toen de Nederlandse ontzuiling voor het overgrote deel compleet was) fuseerde het KNBGG dan ook met de andere drie landelijke organisaties tot het Nederlands Centrum voor Geestelijke Volksgezondheid (NSGV). Dit was de voorloper van de Regionale Instelling voor Ambulante Geestelijke Gezondheidszorg (RIAGG), dat in 1982 werd opgericht. Kort voor de fusie in 1972 was de KCV echter omgevormd tot het Katholiek Studiecentrum voor Geestelijke Volksgezondheid (KSGV). Dit instituut bestaat nog steeds: ze proberen de religie terug in de geestelijke gezondheidszorg te plaatsen

De geestelijke gezondheidszorg tegenwoordig: het Katholiek Studiecentrum voor Geestelijke Volksgezondheid (KSGV)

De organisatie van de katholieke geestelijke gezondheidszorg in Nederland was in handen van het Katholiek Nationaal Bureau voor Geestelijke Gezondheidszorg (KNBGG). De Katholieke Centrale Vereniging voor Geestelijke Volksgezondheid (KCV) hield zich meer bezig met theorievorming. In 1972 (toen de Nederlandse ontzuiling voor het overgrote deel compleet was) fuseerde het KNBGG met de andere drie landelijke organisaties tot het Nederlands Centrum voor Geestelijke Volksgezondheid (NSGV). Dit was de voorloper van de Regionale Instelling voor Ambulante Geestelijke Gezondheidszorg (RIAGG), dat in 1982 werd opgericht.

Kort voor de fusie in 1972 was de KCV echter losgekoppeld van het KNBGG en omgevormd tot het Katholiek Studiecentrum voor Geestelijke Volksgezondheid (KSGV). Dit instituut bestaat nog steeds. In de jaren zeventig deed het KSGV nog aan voorlichting en scholing van werkers ‘in het veld’ maar dat heeft ze opgegeven. Nu probeert ze door het uitgeven van jaarlijkse publicaties en het houden van een jaarlijkse studiedag de factor religie in de geestelijke gezondheidszorg te behouden. In de jaren tachtig kwam de ingezakte belangstelling voor het katholieke element in geestelijke gezondheidzorg weer terug: vragen met betrekking tot zingeving van het leven begonnen mensen toch weer bezig te houden. De gevoeligheid voor deze problematiek is sindsdien niet meer weggeweest: het verband tussen geloof en geestelijke gezondheidszorg houdt mensen nog altijd bezig.


Verwijzingen

Beeld- en bronmateriaal

Literatuur

  • Erasmusplein, Nederlandse katholieken en hun beweging voor geestelijke gezondheidszorg (Erasmusplein 7, no.3, 1996). Online: [1].
  • H. Westhoff, Geestelijke bevrijders. Nederlandse katholieken en hun beweging voor geestelijke volksgezondheid in de twintigste eeuw (Nijmegen 1996).
  • D. de Lange, Vijf jaar katholiek nationaal bureau voor geestelijke gezondheidszorg (Utrecht 1957).
  • KNBGG, Zwakzinnigheid en zwakzinnigenzorg. Overzicht van de voorzieningen in Nederland (Utrecht 1964).
  • T. Duffhues, A. Felling en J. Roes, Bewegende Patronen. Een analyse van het landelijk netwerk van katholieke organisaties en bestuurders 1945-1980 (Baarn 1985).
  • J.G. Kempen, 'Fortmann, Henricus Martinus Maria (1912-1970)', in Biografisch Woordenboek van Nederland. Online: [2].

Externe links

Persoonlijke instellingen