Geboorte

Uit Digitaal Katholiek Erfgoedhuis

Ga naar: navigatie, zoeken
Tot in de jaren 1950 was het bij katholieken de gewoonte dat een kind zo snel mogelijk na de geboorte gedoopt werd. Een ongedoopt kind zou namelijk, in geval van overlijden, niet in de hemel komen. Als moeder en kind van kraamzorg gebruik konden maken, dan werd deze bijna altijd verzorgd door katholieke zusters. Zodra de moeder was opgestaan van haar kraambed was haar eerste bezoek buitenshuis een bezoek aan de kerk, waar ze de kerkgang deed: een ritueel van lof en dank voor het nieuwe kind.

Vanaf de jaren zestig verdwijnt de kerkgang naar de achtergrond. Het doopsel wordt een minder dwingende zaak en meer een feestelijke gebeurtenis. Hoewel het aantal doopsels dalende is, laten relatief veel katholieke ouders hun kinderen dopen.

Inhoud

Achtergrond van het doopsel

Sinds de vroege Middeleeuwen is het bij katholieken de gewoonte om een kind vlak na de geboorte te dopen. De doop, of doopsel (de officiële benaming uit de katholieke kerk) is het eerste onderdeel van het overgangsritueel waardoor men tot de katholieke gemeenschap toetreedt. De andere twee onderdelen zijn het vormsel en de eucharistie. Deze rituelen behoren tot de sacramenten, de belangrijkste rituelen uit de katholieke kerk.

Het doopsel is een rituele afwassing van de zonden, overtredingen van Gods regels. Ook baby’s zijn volgens de katholieke kerk, hoewel ze nog niet veel fout hebben kunnen doen, zondig. Ze zijn namelijk belast met de erfzonde: de eerste mensen, Adam en Eva, overtraden Gods regels en besmetten met hun overtreding al hun nakomelingen.

Ongedoopte kinderen en het voorgeborchte

Monument voor een ongedoopt kind in het Brabantse Neerlangel
Wie zondig is, kan niet in de hemel komen. Een ongedoopte baby, belast met de erfzonde, die stierf, zou niet in de hemel komen, maar in het voorgeborchte: een plek tussen de hemel en de hel, waar men tot het einde der tijden moest blijven. Omdat tot aan de jaren 1950 de kindersterfte in Nederland hoog was, werden katholieke kinderen zo snel mogelijk na de geboorte gedoopt, het liefst nog op dezelfde dag. Daardoor kon de moeder niet bij het doopsel aanwezig zijn.

Ongedoopte gestorven kinderen kregen geen kerkelijke begrafenis en mochten niet op het kerkhof begraven worden. Zij kregen een plek in ongewijde grond. Soms was dit een apart gedeelte naast het kerkhof, maar het kwam ook voor dat de baby’s ergens onder een heg werden begraven, zonder dat de ouders wisten waar het lag. Vaak was er geen gelegenheid om afscheid te nemen van het kind. Deze praktijk heeft veel pijn veroorzaakt onder katholieke ouders van gestorven kinderen.

In de loop van de jaren zestig verdween het idee van het voorgeborchte naar de achtergrond, hoewel het officieel nog tot de katholieke leer behoorde. Het duurde echter nog tot 1983 voordat ongedoopte gestorven kinderen een kerkelijke begrafenis kregen en in gewijde grond werden begraven. In de jaren 1990 werden op verschillende plaatsen in Nederland monumenten op katholieke begraafplaatsen opgericht voor het ongedoopte kind. Hoewel deze monumenten geen initiatief waren van de kerk, werden ze wel door kerkelijke hoogwaardigheidsbekleders ingezegend en werd er toegegeven dat er in het verleden fouten zijn gemaakt. In 2006 werd na een onderzoek van twee jaar het voorgeborchte voor kinderen door het Vaticaan, het bestuur van de katholieke kerk, afgeschaft: het voorgeborchte voor kinderen heeft nooit bestaan.

Rituelen rondom het doopsel

Doopsel van een pasgeboren kind in 1995

De liturgie, het stelsel van regels rondom rituelen, van het doopsel verschilt per tijd en regio. Voor het tweede Vaticaans concilie was de liturgie van het doopsel als volgt:

De gebeden en teksten bij het doopritueel waren, zoals overigens alle liturgieteksten voor het Tweede Vaticaans concilie, in het Latijn. Ook werd de duivel tot driemaal toe uitgedreven. De vraag is of de meeste ouders van de betekenis van het ritueel goed kenden, aangezien het ritueel in het Latijn werd voltrokken.

Het doopsel begint met een gebed. Hierna volgt een geloofsbelijdenis. Daarna wordt het kind, terwijl het door de peter of meter wordt vastgehouden, door de priester met olie, het chrisma, gezalfd en vervolgens met gewijd water besprenkeld. Het doopsel eindigt met de optekening van de naam van het kind in het doopregister.

Kraamzorg

Een kraamzaal in het St. Franciscusgasthuis te Rotterdam
Werd een kind uit een katholiek gezin geboren in een ziekenhuis, dan was dat in een katholiek ziekenhuis. Als moeder en kind van kraamzorg gebruik konden maken, wat met name in Brabant en Limburg lange tijd niet gewoon was, dan werd deze bijna altijd verzorgd door katholieke zusters. De geestelijkheid vond dat belangrijk, omdat katholieke kraamverzorgsters en vroedvrouwen namelijk een goede invloed op het gezin konden uitoefenen en getrouwde stellen ervan weerhouden aan geboortebeperking te doen. Ook wanneer er kans was dat het kind bij de geboorte zou komen te overlijden, dan moest de vroedvrouw (verloskundige) weten hoe het kind gedoopt moest worden, zodat het kind, als het zou sterven, in ieder geval naar de hemel zou gaan.

Kerkgang

Kerkgang in Boxtel of Den Bosch
Tot in de jaren 1950 ging een vrouw een paar dagen na de bevalling naar de kerk voor de kerkgang: een ritueel om dank te zeggen voor de geboorte van het kind en om de eerbied van de kerk voor het moederschap tot uitdrukking te brengen. Het gebruik gaat terug tot de negende eeuw. De uitvoering van de kerkgang verschilde per regio. In de meeste gevallen werd de vrouw aan het eind van de mis aan de stola van de priester de kerk binnen geleid en droeg zij in haar linkerhand een brandende kaars. Verder zijn er gebeden aan het gebruik verbonden. Hoewel theologen altijd zeer nadrukkelijk hebben ontkend dat het hier om een soort reinigingsritueel gaat, zoals dat wel in de Joodse traditie het geval is, is het door veel vrouwen zo opgevat en vaak als vernederend ervaren. Sinds de jaren zestig is de kerkgang in Nederland in onbruik geraakt.

Verwijzingen

Aanvullend beeld- en bronmateriaal

Literatuur

  • Marga Kerklaan (red.), 'Zodoende was de vrouw maar een mens om kinderen te krijgen' 300 brieven over het roomse huwelijksleven (Baarn, 1987)

Een bloemlezing uit 300 brieven van drie generaties katholieke moeders, die vertellen over hoe zij de bemoeienis van de katholieke kerk met het huwelijksleven ervaren hebben. De titel doet een collectie klaagzangen over de onderdrukking van de katholieke vrouw vermoeden, maar ook neutrale en ronduit positieve verhalen komen ruimschoots aan bod. Geeft een direct en persoonlijk beeld van de ervaringen van katholieke vrouwen.

  • Lambert Leijssen, Michel Cloet, Karel Dobbelaere (red.), Levensrituelen. Geboorte en doopsel (Leuven, 1996)

Te omschrijven als een breed en degelijk handboek over het doopsel. Het doopsel wordt vanuit een historische, antropologische, sociologische en theologische invalshoek benaderd. Naast het katholieke doopsel worden ook dooprituelen bij andere religies behandeld.

  • Leo Spruit, Henk van Zoelen, Dopen, ja waarom eigenlijk? Onderzoek naar de motieven die ouders hebben om hun kinderen al dan niet te laten dopen in de kerk (Den Haag, 1980)

De auteurs geven twee hoofdmotieven voor ouders om hun kind te laten dopen: 1. De omgeving en de traditie: voor veel ouders is het doopsel vanzelfsprekend, het hoort erbij. 2. De geboorte van een kind is een bijzondere gebeurtenis in het leven van een mens, een gebeurtenis, die men graag, net zoals bijvoorbeeld het huwelijk, van een bepaalde sacraliteit wil voorzien. Hoewel de studie enigszins gedateerd is, komen de conclusies in grote lijnen overeen met het meer recente Vlaamse proefschrift: Anne van Meerbeek, Het doopsel: een familieritueel. Een sociologische analyse van de betekenissen van dopen in Vlaanderen. (Leuven, 2001)

  • Theo Schepens, Leo Spruit, Joris Kregting, 'De Rooms-Katholieke Kerk in Nederland 1960-2000. Een statistisch trendrapport.' (Nijmegen, 2001) [Online artikel]

Een statistisch overzicht van de ontwikkelingen in katholiek Nederland omtrent kerklidmaatschap en participatie in de kerk.

  • J.J. Brouwers, M.J.M. Duijghuisen, Van Moederheil en Valkenhorst. Een geschiedschrijving. (Breda, 1995)

Een voorbeeld van de ontwikkelingen in de katholieke kraamzorg: van een particulier katholiek initiatief geleid door religieuzen naar een professionele organisatie betaald door de overheid.

Externe links

  • 'Andere tijden' over Ongewijde aarde .

[Aflevering]
Een artikel en een aflevering over 'ongewijde aarde'. Zelfmoordenaars, communisten en ongedoopte kinderen waren voorbeelden van mensen, die niet in gewijde aarde begraven mochten worden. Andere tijden laat onder andere de persoonlijke ervaringen van ouders zien, wiens ongedoopte kind in ongewijde aarde werd begraven. Het artikel geeft daarnaast wat achtergrondinformatie.

Persoonlijke instellingen