Bekeerlingen tot het katholicisme

Uit Digitaal Katholiek Erfgoedhuis

Ga naar: navigatie, zoeken

door Paul Luykx

Na het uiteenvallen van de christelijke eenheid als gevolg van de Hervorming in de 16e eeuw waren er regelmatig protestanten die naar het katholicisme terug keerden. Ook joden en niet-gelovigen zetten soms de stap naar Rome. De achtergronden en oorzaken van bekeringen in het algemeen en ook van bekeringen tot het katholicisme zijn gevarieerd en ook wel gecompliceerd. Heel verschillende wetenschappen, zoals theologie, psychologie, sociologie, antropologie en geschiedwetenschap houden zich ermee bezig.

Vanuit dit laatste, historisch perspectief bezien, is er een opvallende toename vast te stellen van de belangstelling voor het katholicisme en van het aantal bekeerlingen tot de Katholieke Kerk vanaf de Romantiek, begin 19e eeuw. Vooral na 1880 en met een hoogtepunt tijdens de jaren 1920 tot 1950 is er sprake van een ware bekeerlingengolf die vanaf de sixties van de 20e eeuw weer snel wegebt. Het gaat om een algemeen, westers verschijnsel, dat ook in Nederland goed herkenbaar is. De meeste aandacht trokken natuurlijk bekeringen van bekende persoonlijkheden zoals die van de kunstschilder Jan Toorop (1905), de letterkundige Frederik van Eeden (1922) en de leider van de links-liberale Vrijzinnig-Democratische Bond, minister H.P. Marchant (1934). Maar ook tientallen andere bekende figuren uit alle mogelijke sectoren van de samenleving (letterkunde, schilderkunst, architectuur, wetenschap, journalistiek en politiek) gingen uit overtuiging tot het katholicisme over. Dat deze hausse aan bekeerlingen zich niet beperkte tot de culturele en maatschappelijke elites blijkt uit de kerkelijke statistiek. Vanaf ongeveer 1890 bedroeg het aantal bekeringen-uit-overtuiging ongeveer 120 per jaar, daarna steeg het in hoog tempo tot zo’n 300 per jaar rond 1920 en zo’n 5 à 600 per jaar in de jaren dertig, om een hoogtepunt van 8 à 900 per jaar te bereiken in de naoorlogse periode. In de jaren vijftig daalde het cijfer weer tot vooroorlogse proporties, om vanaf de sixties steeds verder terug te vallen. Behalve deze golf aan feitelijke bekeringen die al met al enkele tienduizenden neokatholieken omvatte, is er sprake van een zich in brede kring doorzettende waardering en sympathie voor sommige elementen uit de katholieke leer en traditie, zonder dat dat tot een formele overgang leidde (‘katholiseren’)

Voor een moeilijk precies te bepalen deel ligt de verklaring voor het hier gesignaleerde verschijnsel in de initiatieven die de katholieke clerus ontplooide terzake van het bekeringswerk, vooral vanaf de jaren twintig. De vele activiteiten in de vorm van conferentiereeksen, publieke prediking en het verspreiden van boeken en brochures in massa-oplagen hebben zeker effect gehad. Ze getuigden in ieder geval van een nieuw katholiek elan dat weliswaar door sommigen met wantrouwen werd bekeken, maar voor anderen aantrekkelijk bleek te zijn.

Zoekt men echter naar een meer structurele verklaring, dan is een opvallende, gemeenschappelijke trek te vinden in de afkeer die bekeerlingen voelden van de modernisering van de westerse maatschappij, die al in de tweede helft van de 18e eeuw met de industriële en politieke revoluties had ingezet en in toenemende mate het gezicht van de westerse, ook Nederlandse staat, economie en cultuur ging bepalen. Ze wezen de 19e eeuw, die ‘eeuw van kolen en staal’, hartgrondig af, keerden zich zowel tegen het ‘neutralistisch’ liberalisme en de ontwikkeling van de parlementaire democratie als tegen het kapitalisme én het revolutionaire socialisme die beide voor een toename van ‘materialisme’ verantwoordelijk werden gehouden, en bestreden gezinsondermijnende bewegingen als feminisme en neomalthusiansime. Daartegenover waren ze op zoek naar harmonie, eendracht en samenwerking, naar geestelijke waarden, en naar traditie en gezag. Voor dat alles vonden ze een bondgenoot in de Katholieke Kerk. Die was immers vanaf het midden van de 19e eeuw de moderniserende en seculariserende maatschappij steeds sterker gaan afwijzen en bestrijden. Met name in de encycliek Quanta Cura en de daarbij gevoegde Syllabus Errorum (d.i. Lijst van dwalingen) uit 1864 werd de moderne maatschappij in al haar facetten scherp veroordeeld. Ondanks zekere aanpassingen en praktische versoepelingen bleef die afweerhouding bestaan tot aan het Tweede Vaticaans Concilie (1962-1965). In het optreden en het werk van de aangeduide figuren uit de verschillende elites alsook in de vele bekeringsgeschiedenissen die destijds werden gepubliceerd, zijn dergelijke antimoderne tendensen met gemak aantoonbaar.

Persoonlijke instellingen