Architectuur

Uit Digitaal Katholiek Erfgoedhuis

Ga naar: navigatie, zoeken
Een romaanse kerk te Wahlwiller in Limburg. De oudste delen van deze kerk stammen uit de 12e eeuw.

Na het invoeren van (relatieve) godsdienstvrijheid aan het begin van de 19e eeuw ontstond architectuur met specifiek katholieke uitgangspunten. De toon werd gezet door Pierre Cuypers en de verschillende zogeheten neostijlen. Deze waren ook na de eeuwwisseling nog in trek. Rondom de Tweede Wereldoorlog werd de katholieke architectuur bepaald door de Delftse- en Bossche School, met als belangrijkste ontwerper Granpré Molière. De katholieke architectuur werd getekend door de wens om terug te grijpen naar een bepaalde traditie.

Inhoud

Definitie

De term “katholieke architectuur” kan op verschillende manieren worden gedefinieerd. Het kan gaan om katholieke kerkgebouwen, maar ook om bouwwerken die een belangrijke rol speelden in het katholieke leven zoals katholieke scholen, vakbondsgebouwen en het gebouw van de Katholieke Radio Omroep in Hilversum.

De Sint-Janskathedraal te ‘s Hertogenbosch is een voorbeeld van gotiek in Nederland.

Daarnaast kan het begrip ook betrekking hebben op een stijl in de architectuur die wordt geassocieerd met het katholicisme. Voorbeelden hiervan zijn het Rijksmuseum en het Centraal Station in Amsterdam, gebouwen zonder religieuze functie of specifieke band met het katholicisme, waarvan de stijl met het katholicisme wordt geassocieerd. In deze tekst zullen de architectonische stromingen die verbonden worden aan het katholicisme en katholieke architecten als uitgangspunt worden genomen.

Middeleeuwen en Reformatie

Katholieke architectuur in Nederland kent een geschiedenis die, net als in de rest van Europa, teruggaat tot de periode van het vroege christendom. Veel kerken vonden hun oorsprong in de Middeleeuwen. De kerk was in deze tijd, samen met het huis en het kasteel, een van de belangrijkste soort gebouwen. In de late Middeleeuwen kwamen hier ook nog gebouwen bij met een specifieke functie, zoals het raadhuis en de handelshal. Het kerkgebouw bleef echter de belangrijkste katalysator in de architectuur. In de vroege Middeleeuwen werden de meeste kerken in de Romaanse stijl gebouwd. Na een overgangsperiode, de Romanogotiek, werd de Gotiek de belangrijkste manier van vormgeving. Deze stijlen domineerden het kerkelijk landschap van de Middeleeuwen.

Het interieur van de schuilkerk Onze Lieve Heer op Solder te Amsterdam.

Na de Reformatie werden openbare uitvoeringen van katholieke erediensten verboden op Nederlands grondgebied. Een groot deel van de katholieke kerken werd toegewezen aan protestanten. Het interieur werd opgeschoond, alle objecten en ornamenten die door de calvinisten als onzedelijk werden gezien werden verwijderd. Meubilair zoals preekstoelen behielden doorgaans hun plek. De kerken werden beschouwd als een publiek gebouw, en in de loop van de 16e en 17e eeuw werd een groot aantal van dit soort kerken uit opdracht van het stadsbestuur gerenoveerd. Nieuwe kerken waren uitsluitend protestants. Deze werden ontworpen in de architectuur van de Renaissance: het gebouw moest harmonische verhoudingen hebben en elementen bevatten van de bouwstijl uit de klassieke oudheid. Deze stijl was dominant tot aan het eind van de 18e eeuw. Tot aan het begin van de 19e eeuw was er dus nauwelijks sprake van architectuur die verbonden kan worden aan invloeden vanuit het katholieke geloof.

Vanaf de Reformatie tot 1848: Van schuilkerk tot Waterstaatskerk

De St. Batholomeus en Barbarakerk te Waspik, een neoclassicistische waterstaatskerk.

Terwijl in de rest van Europa in de 17e en 18e eeuw de barok hoogtij vierde, een weelderige stijl die doorgaans verbonden wordt aan de Contrareformatie, ging deze stroming aan de protestantse Nederlanden nagenoeg voorbij. Deze bij uitstek katholieke vorm van architectuur kon bij de gereformeerde staatskerk nauwelijks een plaats vinden. Uitzonderingen zijn een handvol kerken in Zuid-Limburg als de St. Michaelkerk in Sittard en de Augustijnenkerk in Maastricht. Deze stonden in een gebied dat zich niet direct in de invloedssfeer van de Republiek bevond. Dit gold ook voor de St. Luciakerk in Ravenstein, een plaatsje dat behoorde tot de vrije heerlijkheden, onafhankelijke gebieden waar openbare belijdenis van het katholieke geloof was toegestaan. Kenmerken van de Barok in de Nederlanden zijn ook terug te vinden in het interieur van verschillende katholieke schuilkerken. Deze kerken hadden aan de buitenkant geen uitgesproken kenmerken, het mocht niet herkenbaar zijn. Diensten werden aanvankelijk regelmatig in normale woonhuizen gehouden. Later werden deze ‘kamerkerkjes’ uitgebreid tot gebouwen.

Tijdens het bewind van Lodewijk Napoleon in de Nederlanden aan het begin van de 19e eeuw werd er godsdienstvrijheid ingevoerd. Ondanks deze relatieve verademing voor het katholicisme was er niet direct een opleving van katholieke architectuur. Het katholicisme centreerde zich in het zuiden, een regio die indertijd arm was. Het opleiden van architecten was kostbaar en het zou nog een aantal decennia duren voordat er een eigen vormgeving in de architectuur ontwikkeld kon worden. Er was nog altijd sprake van een protestantse bovenlaag die economisch gezien de boventoon voerde.

Er was in deze periode echter wel sprake van het ‘teruggeven’ van de oorspronkelijk middeleeuwse kerken, maar dit gebeurde niet in alle regio’s op even grote schaal. De vraag naar de bouw van nieuwe katholieke kerken was groot. Een oplossing voor dit probleem vormden de zogeheten Waterstaatskerken, kerken die door (met name protestantse) ingenieurs van het ministerie van Waterstaat werden ontworpen. De Waterstaatskerken zijn een veelzijdige categorie omdat er geen sprake was van één bepaalde bouwstijl, hoewel de overheersende stijl van de kerken neoclassicistisch was. Door dit gebrek aan een coherente vormgeving is er geen sprake van een architectuur die karakteristiek was voor het katholicisme.

1850 tot 1900: Cuypers en de neogotiek

Het Rijksmuseum.

Het keerpunt voor de katholieke architectuur kwam in 1853 dankzij het herstel van de bisschoppelijke hiërarchie. In combinatie met een nieuwe generatie van katholieke architecten gaf dit een impuls tot de bouw van veel nieuwe kerken in zowel dorpen als steden. Deze kerken werden voor een groot deel in de neogotische stijl gebouwd. Tijdens de Romantiek van de 19e eeuw waren er verschillende bewegingen in de architectuur ontstaan, waarvan in Nederland de belangrijkste de neogotiek en het neoclassicisme waren. In deze neostijlen stond teruggrijpen naar het verleden centraal. Het neoclassicisme greep terug naar de rationele en evenwichtige vormen van de klassieke oudheid. De vormentaal straalde eenvoud uit, met doorgaans witgepleisterde muren en zuilen die in de structuur van het gebouw werden verwerkt. De neogotiek daarentegen greep juist terug naar de Middeleeuwse gotiek en de gevoelsmatige beleving van het verleden. Het was weldadiger, met meer versieringen en met kenmerkende torenspitsen. De neogotiek was een stroming die in alle kunstzinnige disciplines, dus ook in de architectuur, wordt beschouwd als een poging tot meer gevoelsmatige en intuïtieve kunst. In Nederland wordt deze stroming doorgaans in verband gebracht met het katholicisme en katholieke architecten, en de Middeleeuwen als tijdvak. Neoclassicisme en neogtiek worden in dikwijls tegengesteld gepresenteerd, als protestants enerzijds en katholiek anderzijds. Waar de Waterstaatskerken nog door protestantse architecten werden gebouwd (doorgaans beïnvloed door het neoclassicisme), werd er nu plaats gemaakt voor een expliciet katholieke stijl.

Spotprent van de opening van het Rijksmuseum.

Deze periode was een bloeitijd waarin veel gebouwen werden ontworpen door katholieke architecten, waarvan de meest beroemde Pierre Cuypers was. Als leerling van de Franse architect en restaurateur Eugène Viollet-le-Duc had Cuypers diens voorliefde voor verwijzingen naar de Middeleeuwen en restauratie overgenomen. Vanuit een sterke geloofsovertuiging ontwierp Cuypers niet alleen gebouwen met een kerkelijke functie, maar tevens bouwwerken met nationaal karakter als het Rijksmuseum en het Centraal Station Amsterdam. Ook in deze ontwerpen was de invloed van het met katholicisme verbonden neogotiek onmiskenbaar aanwezig. Het katholicisme was een leidraad in zijn carriere. Deze katholieke invloed op de ontwerpen van het Rijksmuseum en het Centraal Station Amsterdam kwam echter niet zonder controverse. Cuypers had in eerste instantie ontwerpen ingediend die meer herinnerden aan de 17e eeuwse Hollandse Renaissance. De uiteindelijke resultaten waren statige, neogotische gebouwen. De kritiek uit protestantse hoeken over het Rijksmuseum was niet mals, en koning Willem III weigerde de officiële opening uit te voeren. Hij zou het gebouw een “klooster” hebben genoemd. Cuypers zou na de bouw van het Centraal Station Amsterdam geen projecten van dit kaliber meer aangeboden krijgen.

Tegenover de nieuwe generatie van architecten stelde Cuypers zich conservatief op. Hij was huiverig voor vernieuwing vanuit zijn leerlingen en voelde niets voor eventuele afstand van het katholicisme: zijn geloof en zijn ontwerpen bleven onlosmakelijk verbonden. In de laatste jaren van zijn leven was het de aanleiding voor een groeiende afstand tussen hemzelf en de jongere ontwerpers. Toch werd het werk van Cuypers alom erkend.

De neogotiek heeft een bloei gekend in heel Nederland, met invloed tot in de noordelijke (en doorgaans protestantse) gebieden. In navolging van Cuypers waren er vele andere architecten die een neogotische stempel drukten op de bouwkunst van katholieke gebouwen. Evert Margry is hier een voorbeeld van. Hij wordt beschouwd als een van de belangrijkste en meest productieve leerlingen van Cuypers. Hij richtte een architectenbureau in te Rotterdam en stond aan het hoofd van een invloedrijke architectenfamilie. Drie van zijn zoons zouden in zijn voetsporen treden. Bovendien was zijn oudere broer Jan hem voorgegaan en ook zijn jongere broer Albert trad in het vak. Deze laatste ging samen met Jos Snickers voor Evert werken. Snickers had een familiale connectie met de bisschop van Haarlem, Petrus Matthias Snickers. Deze connectie was zeer gunstig voor het bureau, er konden veel opdrachten door worden verworven. Andere leerlingen van Cuypers die in deze periode met name neogotische kerken bouwden waren Alfred Tepe, Johannes Kayser en Caspar Franssen.

1900 tot 1950: Aanhoudend teruggrijpen van de neoromaanse stijl

Een vroeg ontwerp van de St. Bavo kathedraal te Haarlem.

Na de hoogtijden van Cuypers volgde er een overgangsperiode van neogotiek naar de neoromaanse stijl. Deze overgangsperiode liep gelijk met de ontwikkeling van architecten als Jos Cuypers (zoon van) en Jan Stuyt, beiden leerlingen van Pierre Cuypers. Zij bleven teruggrijpen naar het verleden, en deden dit in eerste instantie nog in navolging van Cuypers binnen de neogotiek. Echter behoorden zoon Cuypers en Stuyt tot de jongere generatie, zij waren op zoek naar nieuwe mogelijkheden en gingen gebruik maken van een andere neostijl, namelijk de neoromaanse stijl.

Stuyt was in 1883 op vijftienjarige leeftijd in dienst getreden bij Adrianus Bleys, een veelzijdig architect. Bleys bouwde in verschillende neostijlen, dit kan de verklaring zijn voor Stuyts ietwat vrijere houding ten opzichte van het rigide idee dat slechts de neogotiek aanvaardbaar was. De neoromaanse stijl was bij uitstek een goed alternatief, deze had immers net zo goed een sterke katholieke traditie. Na zijn tijd met Bleys werkte Stuyt voor het bureau van Pierre Cuypers, wat het begin was van een uiterst productief samenwerkingsverband met Jos Cuypers. Deze kreeg indertijd de opdracht voor de St. Bavokerk te Haarlem, waaraan Stuyt meewerkte als opzichter. De neogotische kenmerken zijn aanwezig, echter wordt de boventoon gevoerd door romaanse invloeden wat tot een eigenzinnig resultaat leidt. Een terugkerend kenmerk, dat ten tijde van de neogotiek niet op de voorgrond stond, was de koepelconstructie. De Byzantijnse koepel was voor jonge architecten een middel om zich te profileren tegenover de vorige generatie.

Tegenover deze oude garde richtte Jan Kalf, die in 1913 directeur zou worden van het Rijksbureau van de Monumentzorg, in 1901 een kunstenaarskring op genaamd De Violier. Daartoe behoorden zowel Stuyt als Jos Cuypers. Er werd gepoogd vernieuwing in de kunst teweeg te brengen, zodat deze niet zou achterlopen op de profane kunst, zonder dat de katholieke beginselen losgelaten werden. Neogotische en romaanse stijlen liepen in de ontwerpen van Stuyt en Cuypers echter meer dan eens door elkaar heen. Vooral Stuyt toonde zich, na een breuk in de samenwerking met Cuypers in 1909, een veelzijdig kunstenaar met een grote variatie aan invloeden en stijlen in zijn bouwkunst.

De huidige St. Bavo
Echter werd de erfenis van Pierre Cuypers op geen enkel moment volledig losgelaten of vergeten.


Daarbij kwam dat de Liturgische Beweging, een beweging die streefde naar nauwere naleving van de katholieke gebeden en handelingen van een eredienst, dwingende aanbevelingen had gemaakt waar een katholieke kerk aan moest voldoen. Het doel was om gelovigen zoveel mogelijk te betrekken bij de mis, en de architectuur moest daar op aansluiten. Dit resulteerde in verschillende meningen over hoe de architectuur dit moest bewerkstelligen. De meeste architecten die aangesloten waren bij de kunstenaarskring De Violier neigden naar een open zicht op het altaar binnen ruime kerken. De traditionele neogotische architecten plaatsten echter doorgaans een scheiding tussen de altaarruimte en die van de kerkgangers, uit eerbied voor de eucharistie. De uiterlijke vormgeving van een kerk was het resultaat van een theologische discussie over volkskerken en de toegankelijkheid van het altaar.

De architectuur onder Jos Cuypers en Jan Stuyt bracht een verandering met zich mee, die in lijn staat met de verdere ontwikkelingen binnen de katholieke architectuur. Ondanks deze vernieuwing zijn Cuypers en Stuyt de voormannen van een beweging die voornamelijk teruggrijpt, ook al is dat niet zoals Pierre Cuypers dit had voorzien.

1920 tot 1950: De Delfste School (traditionalisme tegenover modernisme)

Terwijl Cuypers en Stuyt de neoromaanse architectuur bezigden tot aan de jaren ‘30 van de twintigste eeuw, werd onder Marinus Granpré Molière vanaf de jaren ‘20 een nieuwe impuls gegeven aan de katholieke architectuur. De katholieke zuil had inmiddels gezorgd voor een vrij gesloten kring van architecten die bijna exclusief opdrachten kregen van andere katholieken, en die elkaars werk beoordeelden in katholieke bladen als het R.K. Bouwblad. Granpré Molière kreeg in deze kring een rol als katalysator die als hoogleraar aan de TH in Delft de nieuwe generaties architecten opleidde. Hiermee ontstond de Delftse School.

De Parochiekerk H. Pius X te Amsterdam, een ontwerp van Jan van der Laan.

Er werd nog altijd verwezen naar Middeleeuwse stijlen, echter in steeds mindere mate. Vooral de Hollandse Renaissance vormde een inspiratiebron voor Granpré Molière en zijn volgelingen. Hij had zich in 1927 bekeerd tot het katholicisme en had vervolgens een uitgesproken mening over de relatie tussen geloof en kunst. Het was op dat moment een zeer bewegelijke periode binnen Nederlandse architectuur, met veel verschillende stromingen die allen op elkaar reageerden, vaak met een sterke afkeer. Er was een sterke ideologische strijd tussen de traditionalisten en de modernen. Afkeer van het modernisme was een algemeen gevoel binnen het katholicisme, en bij katholieke architecten kwam dit sterk naar voren. Het Nieuwe Bouwen werd volledig verworpen. Granpré Molière omschreef het modernisme als “een totale ketterij, omdat het een totaal subjectivisme is”. Maar ook andere traditionele stromingen als de Amsterdamse School werden door hem afgewezen. De Amsterdamse School was expressionistische beweging, iets wat niet paste bij de sobere denkbeelden van Granpré Molière. De Delftse stijl werd gekenmerkt door eenvoudige architectuur en traditionele materialen zoals baksteen en eikenhout, en was vele malen soberder dan de katholieke architectuur van de verschillende neostijlen. In de Delfste stijl werden katholieke kerkgebouwen ontworpen, maar er zijn ook vele woonwijken ontworpen met kenmerkende schuine daken en platte schoorstenen.

Granpré Molière wist zich te positioneren als een van de meest invloedrijke architecten binnen de katholieke architectuur van het interbellum. Zijn autoriteit had vooral te maken met zijn sterke ideologische inslag, hij wilde een bewust verband leggen tussen de architectuur als kunstuiting en de filosofie. Vanwege zijn rol in de hechte architectuurkring en zijn rigide blik werd hij de ‘dictator’ van Delft genoemd. De Delfste School speelde ook een rol in de wederopbouw rond de verwoestingen van de Tweede Wereldoorlog. Er was tijdens de oorlog zelf al aandacht voor de noodzaak tot wederopbouw van steden als Rotterdam. Onder de deelnemers van de georganiseerde besprekingen was Granpré Molière, en de concurrentie tussen de Delfste School en het Nieuwe Bouwen leidde tot felle discussies in bouwbladen als Bouw en het R. K. Bouwblad. Zijn denkbeelden zijn onder andere te vinden bij architectenbureau van het gezin van Leo van der Laan. Vader en zoon Jan van der Laan was in de eerste helft van de 20ste eeuw actief in Leiden, maar ook daarbuiten. Jongere telgen Nico en Dom Hans van der Laan zouden later de werken vanuit de naoorlogse stroming van de Bossche School. Hoewel de leden van het gezin Van der Laan zich in eerste instantie aan het begin van de 20ste eeuw bezighielden met neogotisch bouwen in navolging van Evert Margry, kwam vooral zoon Jan in de invloedssfeer van Granpré Molière.

Parochiekerk H. Antonius en Lodewijk te Den Haag, ontworpen door W. C. Wouters en Frits Peutz in 1959.

Architecten waren in deze periode echter niet de enigen die invloed hadden op het uiteindelijke resultaat van een bouwplan. De bisdommen hadden verschillende bureaus en commissies die toezicht moesten houden op de bouwplannen binnen het eigen bisdom. In Limburg bijvoorbeeld hield de Bisschoppelijke Bouwcommissie van Roermond zich bezig met de aansturing van beeldende kunstenaars, van de oprichting in 1919 tot aan de opheffing in 1970. Deze commissie hield toezicht op katholieke bouwmeesters in Limburg. De centrale uitgangspunten waren een nadruk op het traditionalisme en, zoals gangbaar, een afkeer van het modernisme. Het modernisme strookte niet met het beeld van een eeuwenoude katholieke traditie. De profane bouwwerken van het Nieuwe Bouwen mochten nooit verward kunnen worden met de sacrale architectuur. Geestelijken konden bovendien ook officieuze richtlijnen opleggen aan de katholieke architectuur. De vierde jaargang van het R.K. Bouwblad uit 1932-1933 bevat een lezing van Kardinaal Faulhaber. De nadruk op het in stand houden van de kerkelijke traditie en het door middel van architectuur dienen van God staan in deze tekst centraal.

Er waren ook uitzonderingen op deze katholieke mal. Twee voorbeelden hiervan zijn de architecten Alfons Boosten en Frits Peutz. Boosten was met name actief in Limburg, en wilde zichtbaar afstand nemen van de neogotiek. Zijn vormgeving paste echter niet binnen de denkbeelden van Granpré Molière, die hem een individualist vond. Een van de belangrijkste bouwwerken van Boosten, de Koepelkerk in Maastricht, geeft aan hoe ver controverse rond een eigenzinnige architect kon zijn. De koepelkerk werd door de Byzantijnse invloeden in combinatie met de strakke vormgeving beschouwd als te afwijkend, en Boosten zou bijna tien jaar na de bouw geen kerkelijke opdrachten meer krijgen. Ook de afwijkende stijl van Peutz werd uiteindelijk niet in dank afgenomen. Met name in Heerlen bouwde hij moderne gebouwen zoals het Glaspaleis, waardoor hij binnen katholieke kringen werd verguisd. Hij bouwde onder andere kerkgebouwen met een mengeling van romantisch en moderne architectuur, een ongekende stijl die een nieuwe draai gaf aan het door katholieken zo verafschuwde Nieuwe Bouwen.

Hieruit blijkt dat binnen alle verschillende bewegingen er tegengestelde ideeën bestonden, en katholieke architecten hadden vaak een onderlinge strijd over de juiste vorm van bouwkunst. Deze strijd werd doorgaans ‘gewonnen’ door Granpré Molière, wiens stempel op de katholieke architectuur nog altijd kenmerkend is voor deze periode. Echter bleek uiteindelijk het traditionalisme niet opgewassen tegen het Nieuwe Bouwen, en was in de loop van de jaren ‘40 haar hoogtepunt voorbij.

1945 tot 1970: Naoorlogs bouwen ten tijde van de Bossche School

Het interieur van de Parochiekerk H. Geest te Vlaardingen, ontworpen door Nico van der Laan.

Uiteindelijk zijn er door de verwoestingen van de Tweede Wereldoorlog 102 katholieke kerken ten onder gegaan, en nog eens 463 kerken beschadigd. Er was grote vraag naar de bouw van nieuwe kerken. De aandacht werd voornamelijk gevestigd op het bisdom ‘s-Hertogenbosch, en er werd na verloop van tijd vanuit Delft een cursus kerkelijk bouwen opgezet in Den Bosch. Deze cursus werd gekenmerkt door aandacht voor de samensmelting van architectuurstudie en bestudering van liturgie. De traditionele kerkelijke architectuur stond centraal. Nico en Dom Hans van der Laan waren de centrale figuren in de opzet en uitvoering van deze studie. Beiden hadden bouwkunde gestudeerd onder Granpré Molière, en stonden net als hun vader en oudere broer in de katholieke architectenkring rondom de Delftse School. Hans was in eerste instantie na zijn kandidaatsexamen toegetreden tot de orde van de Benedictijnen. Nadat hij door Nico benaderd was om samen de cursus op te zetten, kreeg hij toestemming van de abt, van het klooster in Vaals waar hij was toegetreden, om de cursus te leiden. Hij hekelde, in navolging van zijn leermeester, de Nieuwe Zakelijkheid. In deze periode schreef hij veel over filosofische theorieën met betrekking tot ontwerpen. Centraal stond de ontdekking van het “plastische getal”, een verhoudingssysteem waarmee Van der Laan een hogere orde in de architectuur wilde aanbrengen. Dit plastische getal stond centraal in de cursus van de broers en daarmee de katholieke wederopbouwarchitectuur.

De Bossche School is, in lijn met de Delftse School, een sobere stijl. Echter gaat de Bossche School nog een stap verder, en er zijn weinig versieringen. De zuivere verhoudingen bepalen het aanzicht, en de meest gebruikte materialen zijn beton, baksteen en hout. Er werd veel gebruik gemaakt van het basiliekmodel, iets waar in de loop van de jaren ’50 kritiek op werd gegeven. Dat model werd vervolgens steeds verder losgelaten. De vormentaal werd nog strakker, en ornamenten werden slechts heel zelden gebruikt. Deze veranderingen in stijl geven de ambigue aard van de Bossche School weer. Er werden onderling door de architecten van de school vurige discussies gehouden. Deze debatten bleken echter niet weerbaar tegen de tand des tijds. De roerige periode van de jaren ’60 en alle maatschappelijke veranderingen die dit met zich mee bracht gaven geen ruimte meer voor de betwiste ideeën van de school, en in 1973 werd de cursus opgeheven.

De tweede helft van de twintigste eeuw: ontzuiling en ontkerkelijking

Na de ontzuiling is er geen sprake meer van architectuur met specifiek katholieke uitgangspunten, zoals dit nog bij de Delftse- en Bossche School het geval was. Na het Tweede Vaticaans Concilie werd er in eerste instantie nog een ommekeer gemaakt naar een functionalistische, modernistische stijl die naast de Bossche School bestond. Echter kwam vlak hierna al, in de loop van de jaren ’60 en ’70 een afname in katholieke kerkbouw met een uitgesproken, samenhangende stijl. De katholieke kerken die na de jaren ’70 werden gebouwd werden doorgaans in een postmodernistische stijl gebouwd, de stijl die in de algemene architectuur ook de overhand had.

Verwijzingen

Beeld- en bronmateriaal

Literatuur

  • Bär, N., Beeldende kunsten in de 19e eeuw (Baarn 1991).
  • Barends, F.F., Geloven in de schaduw: Schuilkerken in Amsterdam (Gent 1996).
  • Bosma, K., e.a. (ed.), Bouwen in Nederland 600-2000 (Zwolle 2007).
  • Geneste, D., et al, L. van der Laan (1864-1942) en J.A. van der Laan (1896-1966) (Rotterdam 2002).
  • Houwink, P., ‘Jan Stuyt (1868-1934) en de vernieuwing van de kerkelijke bouwkunst’, in Jaarboek Katholiek Documentatie Centrum 1978 (Nijmegen 1978).
  • Van Leeuwen, A.J.C., Pierre Cuypers, architect (1827-1921) (Zwolle 2007).
  • Nederlof, J. en Smits, G., Bouwstijlen herkennen (Amsterdam 1990)
  • Pouls, J., Ware schoonheid of louter praal, de Bisschoppelijke Bouwcommissie van Roermond en de kerkelijke kunst van Limburg in de twintigste eeuw (Maastricht 2002).
  • Raedts, P., De ontdekking van de Middeleeuwen: Geschiedenis van een illusie (Amsterdam 2011).
  • Van der Vaart, F.J., Bedelordekloosters, ‘s-Hertogenbosch en de Bossche School (Nijmegen 1999).
  • Visser-Zaccagnini, R., F.P.J. Peutz 1896-1974: Romantisch Rationalist (Rotterdam 2013).
  • Zijp, R.P., en Errens, W., Protestants kerkinterieur 16de -19de eeuw: tentoonstellingscatalogus (Utrecht 1986).

Externe Links

Persoonlijke instellingen