1975-

Uit Digitaal Katholiek Erfgoedhuis

Ga naar: navigatie, zoeken

Inhoud

Verstoorde verhoudingen

In 1975 bereikte kardinaal Alfrink de leeftijd van 75 jaar, pensioengerechtigde leeftijd voor bisschoppen. Hij diende daarop zijn ontslag in dat per kerende post door paus Paulus VI werd aanvaard. Dat was hoogst ongebruikelijk, omdat de paus bisschoppen die ontslag vroegen, meestal vroeg nog enige tijd aan te blijven opdat de opvolging in alle rust geregeld kon worden. Dit incident tekende de verstoorde verhoudingen tussen Rome en de Utrechtse kerkprovincie.

De paus benoemde kardinaal J. Willebrands tot nieuwe aartsbisschop van Utrecht. Willebrands was hoofd van het Romeinse Secretariaat voor de Eenheid en gold als een verzoenende man van het midden. Hij wist de tegenstellingen binnen het bisschoppencollege echter niet te overbruggen. Daarop vroegen de bisschoppen om bemiddeling van de paus. In januari 1980 vond in Rome een bijzondere bisschoppensynode plaats onder leiding van de paus zelf, Johannes Paulus II. Deze benadrukte het hiërarchische kerkelijke bestuursmodel, waarvan Nederlandse katholieken juist in de jaren 1960 afscheid hadden proberen te nemen. De synode bracht geen oplossing voor de interne spanningen. Intussen bleef Rome via nieuwe bisschopsbenoemingen een conservatieve lijn bevorderen. Dit restauratieve beleid riep reacties op van progressief gezinde katholieken, die zich vanaf 1972 hadden georganiseerd in verschillende groepen, en steunbetuigingen van meer behoudende katholieken.


Hoogtepunt van polarisatie: het pausbezoek

In 1985 bezocht paus Johannes Paulus II Nederland. Niemand achtte dit bezoek wenselijk of opportuun – ook de bisschoppen op dat moment niet. Maar aartsbisschop Simonis vond dat Nederland niet achter kon blijven, nu België en Luxemburg hem hadden uitgenodigd.

Het jaar 1985 markeerde het hoogtepunt van de polarisatie. Naar schatting 20% van de katholieken was conservatief ingesteld; 15 % beschouwde zich als progressief. De resterende 65% vormde een middengroep die geen positie koos, maar voor wie geloof en kerk steeds minder belangrijk werden in het eigen leven. Geloof was een privé-aangelegenheid geworden, strikt gescheiden van het openbare leven. De bisschoppen probeerden de paus een Nederlandse kerk te laten zien zoals zij zelf en de paus die graag zagen: een ambtskerk onder leiding van priesters, gesteund door leken die zo hun verbondenheid uitdrukten met de H. Stoel als spiritueel en bestuurlijk centrum van de katholieke wereldkerk. In het minutieus geregisseerde programma was geen plaats voor die katholieken die de opbouw van een geloofsgemeenschap van mondige gelovigen bepleitten. Evenmin was er ruimte voor getuigenissen van kritisch gelovig en maatschappelijk engagement vanuit fundamentele waarden als vrede, gerechtigheid en solidariteit met gemarginaliseerden. Hoewel het bezoek veel publiciteit kreeg, was de animo voor het officiële programma gering. De pers had haast eensgezind een negatief oordeel over het geheel.

In reactie op het officiële programma verzamelden rond 12.000 Nederlandse katholieken (een veelvoud van het aantal belangstellenden voor het eigenlijke pausbezoek) zich op 8 mei, de vooravond van het pausbezoek, op het Haagse Malieveld. Zij lieten daar ‘Het andere gezicht van de kerk’ zien als weloverwogen protest tegen de ingrepen vanuit Rome in de Nederlandse kerkprovincie. Hieruit ontstond de Acht Mei Beweging, die zich tot haar opheffing in 2003 heeft ingezet voor een geloofsgemeenschap mede gedragen door leken. Tot een dialoog met de Nederlandse bisschoppen is het in die achttien jaar niet gekomen.


Ontkerkelijking en subjectivering van geloof

Sinds 1966 worden iedere tien jaar de visies van Nederlanders op geloof en kerk onderzocht en gepubliceerd onder de titel God in Nederland. Deze onderzoeken laten zien dat de ontkerkelijking zich sinds 1966 weliswaar onder alle gezindten heeft voorgedaan, maar toch vooral onder de katholieken. Hun kerkelijke betrokkenheid is sindsdien gedaald en inmiddels het laagst van alle confessionele richtingen. Zij blijken in hoog tempo afstand genomen te hebben van de eigen kerk in haar institutionele gedaante, maar ook van traditionele geloofsvoorstellingen. Katholieken hechten minder dan andere christelijke gelovigen aan de maatschappelijke betekenis van religie. Ook als zingevingskader op persoonlijk niveau heeft religie vooral voor katholieken aan betekenis verloren. In alle opzichten blijken zij maar een zwakke en tamelijk losse relatie tussen geloof en alledaags leven te ervaren.

De meeste gevestigde kerken zijn sinds de jaren 1960 maar nauwelijks in staat gebleken om een passend kader te bieden voor nieuwe, vaak meer persoonlijke vormen van zingeving. Ook onder katholieken voltrok zich een subjectivering van het geloof . Het principe van persoonlijke autonomie werkte door op religieus vlak, waar gelovigen zochten naar spirituele en liturgische plekken en samenkomsten die zij persoonlijk als zinvol en verrijkend ervoeren. De groeiende belangstelling voor de vieringen in kloosterkerken in plaats van parochiekerken, of de opleving van de belangstelling voor bedevaarten getuigen daarvan. Wie binnen deze toch nog altijd vaste kaders met variabele mogelijkheden geen op maat gesneden aanbod vond voor de eigen gelovige behoeften, week uit naar een diffuus veld van praktijken en voorstellingen uit uiteenlopende religieuze tradities, variërend van new-age of labyrinth-lopen tot yoga en zen.


Katholicisme in Nederland op de drempel in de 21e eeuw

Sinds de jaren 1960 zijn gelovigen uit alle christelijke denominaties in feite ‘weggedreven’ uit hun kerken. Geloof als zodanig is marginaal geworden voor hun wereldbeeld, zelfverstaan en zelfexpressie. Voor hen was – en is - geloof per definitie kerkelijke godsdienstigheid, verbonden met het behoren bij een sociale groep met een eigen levenswijze en bijbehorende verplichtingen. Velen hebben afstand genomen van de kerk als instituut. Anno 2000 woont nauwelijks 10% van de katholieken in het weekend een eucharistieviering bij. De meesten geven hoogstens blijk van hun geloofsovertuiging door met Kerstmis, soms ook met Pasen naar de kerk te komen. Dan loopt het aantal katholieke kerkgangers jaarlijks op tot twee, respectievelijk een miljoen (van de toen nog ruim 5 miljoen in totaal). Ook voor de viering van voornaamste scharniermomenten in een mensenleven, de rites de passage, zoals de huwelijksinzegening, de doop van kinderen en de uitvaart, doen zij een beroep op de kerk. Deze vorm van katholiek-zijn botst in sommige bisdommen met die van (vooral jonge of buitenlandse) priesters die hun monopolie op de bediening van de sacramenten aangrijpen om gelovigen tot een intensievere geloofspraktijk aan te zetten.

Strengere handhaving van officiële kerkelijke richtlijnen was de afgelopen decennia de beleidslijn in de Nederlandse kerkprovincie. Deze beleidslijn heeft kritische katholieken en degenen die buiten de gepolariseerde binnenkerkelijke verhoudingen probeerden te blijven, uitgesloten. Sinds de jaren 1970 was de Nederlandse rooms-katholieke kerk een gemêleerde gemeenschap, van wie sommigen zich liever katholiek dan rooms noemden. Door de uittocht en vergrijzing van kritische katholieken lijkt het strengere roomse profiel de boventoon te gaan voeren. Dit trekt ook weer nieuwe gelovigen, die dit roomse profiel associëren met de katholieke traditie waarin zij zich willen scharen. Zij doen dat deels op creatieve wijze, vanuit nieuwe bewegingen binnen de kerk.

Getalsmatig is het zwaartepunt van de katholieke kerk in Nederland naar het zuiden des lands verschoven. Deze verschuiving is markant omdat juist in de zuidelijke bisdommen de parochies naar verhouding het grootste zijn en met minder priesters toe moeten dan in de bisdommen boven de grote rivieren. Wekelijks wordt in heel Nederland van plaats tot plaats zichtbaar hoe ruim de meer dan 1700 parochiekerken momenteel in hun jas zitten. Kerken die niet meer in gebruik zijn, worden gesloopt of krijgen een nieuwe bestemming, als appartementencomplex, fietsenstalling, evenementenhal of boekhandel. Talrijke fusies van parochies in de afgelopen decennia hebben de grote problemen niet kunnen oplossen: slinkende pastorale menskracht, teruglopend aantal vrijwilligers in de parochies, groeiende financiële tekorten voor de afzonderlijke bisdommen. Dit beeld tekent zich niet alleen in Nederland af, maar in heel Noord-West Europa. Het priestertekort is van invloed op de geloofspraktijk, omdat zonder priester geen eucharistie gevierd kan worden, maar een woord- en communiedienst, waarbij hosties worden uitgereikt die door een priester zijn geconsacreerd. 85% van de Nederlandse katholieken hecht niet zozeer aan priesters, aan gewijde mannen, als voorgangers. Wat hen betreft mogen ook leken, mannen en vrouwen, pastoraal werkenden, voorgaan in vieringen.

Persoonlijke instellingen