1945-1960

Uit Digitaal Katholiek Erfgoedhuis

(Verschil tussen bewerkingen)
Ga naar: navigatie, zoeken
(Nieuwe pagina aangemaakt met '==Doorbraak?== Het streven naar een nieuw, onverzuild maatschappelijk en politiek bestel kreeg direct na de bevrijding in mei 1945 gestalte in de Nederlandse Volks Be…')
Regel 1: Regel 1:
 +
== Oorlog en bezetting ==
 +
 +
Het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog en de Duitse bezetting grepen diep in, ook op de religieuze verhoudingen in Nederland. De nazi’s maakten een einde aan het verzuilde maatschappelijke bestel. In augustus 1941 verbood [[aartsbisschop Johannes de Jong]] (1885-1955) katholieken om lid te worden van schijnbaar neutrale organisaties, die feitelijk direct onder invloed van de bezetter stonden.
 +
 +
Voor de invloed van totalitaire ideologieën (van rechtse snit) als het nationaal-socialisme en  (van linkse snit) het communisme waren de katholieke kerkleiders al vóór de oorlog beducht geweest. Het fascisme bleek vooral op de radicale katholieke jongeren aantrekkingskracht uit te oefenen, die het katholicisme en de katholieke voormannen tijdens het Interbellum fel hadden bekritiseerd. Zij zetten de toon in fascistische splintergroeperingen als <balloon title="Verdinaso staat voor Verbond van Dietsche Nationaal Solidaristen,
 +
opgericht in 1931 door Joris van Severen (1894/1940). Deze
 +
organisatie ijverde voor een corporatistisch politiek en maatschappelijk
 +
bestel. Zij had vooral in België aanhangers, in Nederland
 +
onder katholieke studenten. In 1941 ging Verdinaso op in een
 +
fusie met andere Vlaamse nationalistisch georiënteerde organisaties.
 +
Klik op het begrip voor literatuur. " link="http://www.nederlandskatholicisme.nl/" style="color:#006600; font-weight:bold">Verdinaso </balloon> en <balloon title="De fascistische organisatie Zwart Front werd in 1934 opgericht door Arnold Meijer
 +
(1905/1965), een voormalig priesterstudent en journalist. Hoewel Meijer zich vooral
 +
oriënteerde op het fascistische Italië en niet op het nationaal socialistische Duitsland, was
 +
Zwart Front fel antisemitisch. De partij behaalde in 1937 onvoldoende stemmen voor een
 +
zetel in de Tweede Kamer. In 1941 werd Zwart Front, inmiddels omgedoopt tot
 +
Nationaal Front ,verboden om haar nationalistische karakter. Klik op het begrip
 +
voor meer informatie." link="http://www.nederlandskatholicisme.nl/" style="color:#006600; font-weight:bold">Zwart front </balloon> , die uiteindelijk tegen het nationaal-socialisme gingen aanschurken. Maar het bleef niet tot deze relatief kleine, spraakmakende groep beperkt. Bij de Tweede Kamerverkiezingen in 1935 behaalde de Nationaal Socialistische Beweging (NSB) van Anton Mussert 8% van de stemmen. Naar bleek had ruim 11% van de kiezers in het nagenoeg homogeen katholieke Limburg op deze partij gestemd.
 +
 +
Bisschoppelijke brieven uit 1934, 1936 en 1941 stelden zware (kerkelijke) sancties op het lidmaatschap van de NSB. Zulk afwijkend stemgedrag bedreigde de eenheid in de katholieke gemeenschap. Bovendien onderschatte men de ideologische concurrentie van het nationaal-socialisme niet, dat zich van allerlei rituelen bediende met een religieuze lading.
 +
 +
In 1941 maakte aartsbisschop De Jong ondubbelzinnig duidelijk dat collaboratie met de nazi’s ontoelaatbaar was. Aan leden van collaborerende bewegingen en daaraan gelieerde organisaties werden de sacramenten geweigerd. Alleen als men voor eigen leven of dat van naasten moest vrezen, kon enige coöperatie door de vingers worden gezien. De bisschoppen spraken zich bovendien vanaf 1942 expliciet uit tegen de verplichte tewerkstelling van Nederlandse mannen in Duitsland (Arbeitseinsatz) en tegen de vervolging en deportatie van joodse landgenoten. In het georganiseerde en gewapende verzet waren katholieken (ten opzichte van vooral de orthodox gereformeerden) relatief ondervertegenwoordigd. Maar daarbij moet bedacht worden dat katholieke verzetsactiviteiten vaak langs vertrouwde lijnen van parochies, kloosters, grote gezinnen liepen en daardoor minder opvielen.
 +
 +
Onder druk van de bezetting ontstond in 1941 het Inter-Kerkelijk Overleg, waarin voor het eerst in de Nederlandse geschiedenis protestantse en katholieke kerkleiders met elkaar overlegden. Overleg tussen katholieken en protestanten was er ook in de gijzelaarskampen in de seminaries Haaren (NB) en [[Sint-Michielsgestel]]. Daar gijzelden de nazi’s de (mannelijke) intellectuele, politieke en culturele elite van Nederland als represaille voor de internering van Duitsers in Nederlands-Indië. De gijzelaars ontwikkelden nieuwe visies op een onverzuild politiek bestel, maar dit ‘doorbraak’-denken kreeg na 1945 weinig voet aan de grond.
 +
 +
==Doorbraak?==  
==Doorbraak?==  
-
Het streven naar een nieuw, onverzuild maatschappelijk en politiek bestel kreeg direct na de bevrijding in mei 1945 gestalte in de Nederlandse Volks Beweging. Deze beweging, waarin ook katholieken als de latere minister-president Jan de Quay (1901-1985) het voortouw namen, was maar een kort leven beschoren. Wat bleef was het Nederlands Gesprekcentrum.  
+
 
 +
Het streven naar een nieuw, onverzuild maatschappelijk en politiek bestel kreeg direct na de bevrijding in mei 1945 gestalte in de Nederlandse Volks Beweging. Deze beweging, waarin ook katholieken als de latere minister-president [[Jan de Quay]] (1901-1985) het voortouw namen, was maar een kort leven beschoren. Wat bleef was het [[Nederlands Gesprekcentrum]].  
De bisschoppen voelden niets voor een doorbraak, maar zetten koers op een ‘herzuiling’. Zij werden daarin gesteund door de vooroorlogse katholieke leiders, die hamerden op een ‘rechtsherstel’ van hun door de Duitsers opgeheven organisaties. Deze koers paste in de wederopbouwmentaliteit van ‘de lange jaren vijftig’ (1945-1960), die ook wel zijn omschreven als de jaren van tucht en ascese. De hernieuwde opbouw van het land vergde soberheid, hard werken en een uitstel van materiële behoeftebevrediging. De overheid stimuleerde de industrialisatie, matigde de lonen en streefde naar volledige werkgelegenheid. Nederland moest zich wat ontzeggen om er weer bovenop te kunnen komen.
De bisschoppen voelden niets voor een doorbraak, maar zetten koers op een ‘herzuiling’. Zij werden daarin gesteund door de vooroorlogse katholieke leiders, die hamerden op een ‘rechtsherstel’ van hun door de Duitsers opgeheven organisaties. Deze koers paste in de wederopbouwmentaliteit van ‘de lange jaren vijftig’ (1945-1960), die ook wel zijn omschreven als de jaren van tucht en ascese. De hernieuwde opbouw van het land vergde soberheid, hard werken en een uitstel van materiële behoeftebevrediging. De overheid stimuleerde de industrialisatie, matigde de lonen en streefde naar volledige werkgelegenheid. Nederland moest zich wat ontzeggen om er weer bovenop te kunnen komen.
Regel 6: Regel 32:
Niet alleen materieel maar ook moreel herstel stond hoog op de agenda, omdat de oorlogsjaren ook de traditionele moraal (mijn en dijn, vriend en vijand, gij zult niet doden) hadden ondergraven, en daardoor hadden gezorgd voor wat werd opgevat als ‘morele ontwrichting’. Het herzuilingsbeleid van de bisschoppen leek vruchten af te werpen. De organisatiegraad onder de katholieken was hoger dan ooit. Bij wijze van voorbeeld: anno 1955 stond bijna 90% van de katholieken geregistreerd als luisteraar van de Katholieke Radio Omroep (KRO). Het geboortecijfer onder katholieken was – in vergelijking met dat van geloofsgenoten in Duitsland en België - hoog. Bovendien daalde het aantal gemengde huwelijken (tussen katholieken en protestanten), wat wees op een vermindering van de contacten tussen de gezindten. De katholieken leken zich weer in hun eigen subcultuur terug te trekken.
Niet alleen materieel maar ook moreel herstel stond hoog op de agenda, omdat de oorlogsjaren ook de traditionele moraal (mijn en dijn, vriend en vijand, gij zult niet doden) hadden ondergraven, en daardoor hadden gezorgd voor wat werd opgevat als ‘morele ontwrichting’. Het herzuilingsbeleid van de bisschoppen leek vruchten af te werpen. De organisatiegraad onder de katholieken was hoger dan ooit. Bij wijze van voorbeeld: anno 1955 stond bijna 90% van de katholieken geregistreerd als luisteraar van de Katholieke Radio Omroep (KRO). Het geboortecijfer onder katholieken was – in vergelijking met dat van geloofsgenoten in Duitsland en België - hoog. Bovendien daalde het aantal gemengde huwelijken (tussen katholieken en protestanten), wat wees op een vermindering van de contacten tussen de gezindten. De katholieken leken zich weer in hun eigen subcultuur terug te trekken.
-
Er waren echter ook tegengestelde signalen. Katholieke jeugdorganisaties verloren na de oorlog een derde van hun leden. Ook het aantal jongens dat priester wilde worden, nam in de jaren 1950 gestaag af. Op politiek vlak nam een kleine groep katholieken vanuit de Nederlandse Volks Beweging afstand van de vanzelfsprekendheid dat katholieke politiek per definitie gebonden was aan de KVP. Zij meldden zich als lid van de Partij van de Arbeid en vormden daarbinnen de Katholieke Werkgemeenschap (KWG). Ook op intellectueel en religieus terrein weigerden vooral hoger opgeleide katholieken zich in hun contacten tot geloofsgenoten te beperken. Zij vormden een kritische onderstroom in de eigen gemeenschap. Tijdschriften als Te elfder ure, G3 en De Bazuin getuigden van die openheid en van een nieuw zelfbewustzijn van katholieke leken. Informele oecumenische gesprekskringen die voor en tijdens de oorlog waren ontstaan, kregen na de oorlog een institutionele voortzetting in de Sint Willibrordvereniging. Daarin werden mogelijkheden voor toenadering en samenwerking tussen de christelijke gezindten verkend, zonder een spoor van de vooroorlogse katholieke bekeringsijver. Op moreel vlak kwam de strenge katholieke zedenleer ter discussie te staan onder invloed van nieuwe visies op geestelijke gezondheidszorg. Onder aanvoering van A.J.H. Bartels en de psychiater C. Trimbos bracht het Katholiek Nationaal Bureau voor Geestelijke Gezondheidszorg een omslag teweeg van een moraliserende naar een psychologiserende benadering van opvoedings- en relatieproblemen.
+
Er waren echter ook tegengestelde signalen. [[Katholieke jeugdorganisaties]] verloren na de oorlog een derde van hun leden. Ook het aantal jongens dat priester wilde worden, [[nam in de jaren '50 gestaag af]]. Op politiek vlak nam een kleine groep katholieken vanuit de Nederlandse Volks Beweging afstand van de vanzelfsprekendheid dat katholieke politiek per definitie gebonden was aan de KVP. Zij meldden zich als lid van de Partij van de Arbeid en vormden daarbinnen de Katholieke Werkgemeenschap (KWG). Ook op intellectueel en religieus terrein weigerden vooral hoger opgeleide katholieken zich in hun contacten tot geloofsgenoten te beperken. Zij vormden een kritische onderstroom in de eigen gemeenschap. Tijdschriften als Te elfder ure, G3 en De Bazuin getuigden van die openheid en van een nieuw zelfbewustzijn van katholieke leken. Informele oecumenische gesprekskringen die voor en tijdens de oorlog waren ontstaan, kregen na de oorlog een institutionele voortzetting in de Sint Willibrordvereniging. Daarin werden mogelijkheden voor toenadering en samenwerking tussen de christelijke gezindten verkend, zonder een spoor van de vooroorlogse [[katholieke bekeringsijver]]. Op moreel vlak kwam de strenge katholieke zedenleer ter discussie te staan onder invloed van nieuwe visies op geestelijke gezondheidszorg. Onder aanvoering van A.J.H. Bartels en de psychiater C. Trimbos bracht het Katholiek Nationaal Bureau voor Geestelijke Gezondheidszorg een omslag teweeg van een moraliserende naar [[een psychologiserende benadering van opvoedings- en relatieproblemen]].
-
Sinds 1900 was het aandeel van de katholieken in de Nederlandse bevolking gestaag gegroeid. Bij de volkstelling van 1947 bleek dat zij inmiddels de grootste confessionele groep vormden. Bovendien liet die telling zien dat er haast evenveel katholieken ten noorden van de grote rivieren woonden, als ten zuiden daarvan. De noordelijke bisdommen Utrecht en Haarlem telden 48,4% van de katholieken, de zuidelijke bisdommen ’s-Hertogenbosch, Breda en Roermond 51,6%. (zie kaart)
+
Sinds 1900 was het aandeel van de katholieken in de Nederlandse bevolking gestaag gegroeid. Bij de volkstelling van 1947 bleek dat zij inmiddels de grootste confessionele groep vormden. Bovendien liet die telling zien dat er haast evenveel katholieken ten noorden van de grote rivieren woonden, als ten zuiden daarvan. De noordelijke bisdommen Utrecht en Haarlem telden 48,4% van de katholieken, de zuidelijke bisdommen ’s-Hertogenbosch, Breda en Roermond 51,6%. ([[zie kaart]])
-
Parochiepriesters constateerden begin jaren 1950 ‘onrust in de zielzorg’: gelovigen begonnen afstand te nemen van het (over)georganiseerde katholicisme. Bij de herdenking van het honderdjarig bestaan van de bisschoppelijke hiërarchie in 1953 riep aartsbisschop – inmiddels kardinaal – De Jong zijn geloofsgenoten op om de eenheid te bewaren. Na verloop van tijd bleek dat het bisschoppelijk Mandement De katholiek in het openbare leven van deze tijd voor veel katholieken te ver ging: zij namen afstand van een gesloten katholicisme.
+
Parochiepriesters constateerden begin jaren 1950 ‘onrust in de zielzorg’: gelovigen begonnen afstand te nemen van het (over)georganiseerde katholicisme. Bij de [[herdenking van het honderdjarig bestaan van de bisschoppelijke hiërarchie in 1953]] riep aartsbisschop – inmiddels kardinaal – De Jong zijn geloofsgenoten op om de eenheid te bewaren. Na verloop van tijd bleek dat <balloon title="Een bisschoppelijk mandement is plechtig en officieel
 +
schrijven van bisschop of college van bisschoppen over
 +
zaken betreffende geloof, ethische kwesties of kerkelijke
 +
tucht." style="color:#006600; font-weight:bold"> het bisschoppelijk Mandement </balloon>
 +
[[De katholiek in het openbare leven van deze tijd]] voor veel katholieken te ver ging: zij namen afstand van een gesloten katholicisme.
==Verwijzingen==
==Verwijzingen==

Versie op 1 jul 2015 12:45

Inhoud

Oorlog en bezetting

Het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog en de Duitse bezetting grepen diep in, ook op de religieuze verhoudingen in Nederland. De nazi’s maakten een einde aan het verzuilde maatschappelijke bestel. In augustus 1941 verbood aartsbisschop Johannes de Jong (1885-1955) katholieken om lid te worden van schijnbaar neutrale organisaties, die feitelijk direct onder invloed van de bezetter stonden.

Voor de invloed van totalitaire ideologieën (van rechtse snit) als het nationaal-socialisme en (van linkse snit) het communisme waren de katholieke kerkleiders al vóór de oorlog beducht geweest. Het fascisme bleek vooral op de radicale katholieke jongeren aantrekkingskracht uit te oefenen, die het katholicisme en de katholieke voormannen tijdens het Interbellum fel hadden bekritiseerd. Zij zetten de toon in fascistische splintergroeperingen als Verdinaso en Zwart front , die uiteindelijk tegen het nationaal-socialisme gingen aanschurken. Maar het bleef niet tot deze relatief kleine, spraakmakende groep beperkt. Bij de Tweede Kamerverkiezingen in 1935 behaalde de Nationaal Socialistische Beweging (NSB) van Anton Mussert 8% van de stemmen. Naar bleek had ruim 11% van de kiezers in het nagenoeg homogeen katholieke Limburg op deze partij gestemd.

Bisschoppelijke brieven uit 1934, 1936 en 1941 stelden zware (kerkelijke) sancties op het lidmaatschap van de NSB. Zulk afwijkend stemgedrag bedreigde de eenheid in de katholieke gemeenschap. Bovendien onderschatte men de ideologische concurrentie van het nationaal-socialisme niet, dat zich van allerlei rituelen bediende met een religieuze lading.

In 1941 maakte aartsbisschop De Jong ondubbelzinnig duidelijk dat collaboratie met de nazi’s ontoelaatbaar was. Aan leden van collaborerende bewegingen en daaraan gelieerde organisaties werden de sacramenten geweigerd. Alleen als men voor eigen leven of dat van naasten moest vrezen, kon enige coöperatie door de vingers worden gezien. De bisschoppen spraken zich bovendien vanaf 1942 expliciet uit tegen de verplichte tewerkstelling van Nederlandse mannen in Duitsland (Arbeitseinsatz) en tegen de vervolging en deportatie van joodse landgenoten. In het georganiseerde en gewapende verzet waren katholieken (ten opzichte van vooral de orthodox gereformeerden) relatief ondervertegenwoordigd. Maar daarbij moet bedacht worden dat katholieke verzetsactiviteiten vaak langs vertrouwde lijnen van parochies, kloosters, grote gezinnen liepen en daardoor minder opvielen.

Onder druk van de bezetting ontstond in 1941 het Inter-Kerkelijk Overleg, waarin voor het eerst in de Nederlandse geschiedenis protestantse en katholieke kerkleiders met elkaar overlegden. Overleg tussen katholieken en protestanten was er ook in de gijzelaarskampen in de seminaries Haaren (NB) en Sint-Michielsgestel. Daar gijzelden de nazi’s de (mannelijke) intellectuele, politieke en culturele elite van Nederland als represaille voor de internering van Duitsers in Nederlands-Indië. De gijzelaars ontwikkelden nieuwe visies op een onverzuild politiek bestel, maar dit ‘doorbraak’-denken kreeg na 1945 weinig voet aan de grond.


Doorbraak?

Het streven naar een nieuw, onverzuild maatschappelijk en politiek bestel kreeg direct na de bevrijding in mei 1945 gestalte in de Nederlandse Volks Beweging. Deze beweging, waarin ook katholieken als de latere minister-president Jan de Quay (1901-1985) het voortouw namen, was maar een kort leven beschoren. Wat bleef was het Nederlands Gesprekcentrum.

De bisschoppen voelden niets voor een doorbraak, maar zetten koers op een ‘herzuiling’. Zij werden daarin gesteund door de vooroorlogse katholieke leiders, die hamerden op een ‘rechtsherstel’ van hun door de Duitsers opgeheven organisaties. Deze koers paste in de wederopbouwmentaliteit van ‘de lange jaren vijftig’ (1945-1960), die ook wel zijn omschreven als de jaren van tucht en ascese. De hernieuwde opbouw van het land vergde soberheid, hard werken en een uitstel van materiële behoeftebevrediging. De overheid stimuleerde de industrialisatie, matigde de lonen en streefde naar volledige werkgelegenheid. Nederland moest zich wat ontzeggen om er weer bovenop te kunnen komen.

Niet alleen materieel maar ook moreel herstel stond hoog op de agenda, omdat de oorlogsjaren ook de traditionele moraal (mijn en dijn, vriend en vijand, gij zult niet doden) hadden ondergraven, en daardoor hadden gezorgd voor wat werd opgevat als ‘morele ontwrichting’. Het herzuilingsbeleid van de bisschoppen leek vruchten af te werpen. De organisatiegraad onder de katholieken was hoger dan ooit. Bij wijze van voorbeeld: anno 1955 stond bijna 90% van de katholieken geregistreerd als luisteraar van de Katholieke Radio Omroep (KRO). Het geboortecijfer onder katholieken was – in vergelijking met dat van geloofsgenoten in Duitsland en België - hoog. Bovendien daalde het aantal gemengde huwelijken (tussen katholieken en protestanten), wat wees op een vermindering van de contacten tussen de gezindten. De katholieken leken zich weer in hun eigen subcultuur terug te trekken.

Er waren echter ook tegengestelde signalen. Katholieke jeugdorganisaties verloren na de oorlog een derde van hun leden. Ook het aantal jongens dat priester wilde worden, nam in de jaren '50 gestaag af. Op politiek vlak nam een kleine groep katholieken vanuit de Nederlandse Volks Beweging afstand van de vanzelfsprekendheid dat katholieke politiek per definitie gebonden was aan de KVP. Zij meldden zich als lid van de Partij van de Arbeid en vormden daarbinnen de Katholieke Werkgemeenschap (KWG). Ook op intellectueel en religieus terrein weigerden vooral hoger opgeleide katholieken zich in hun contacten tot geloofsgenoten te beperken. Zij vormden een kritische onderstroom in de eigen gemeenschap. Tijdschriften als Te elfder ure, G3 en De Bazuin getuigden van die openheid en van een nieuw zelfbewustzijn van katholieke leken. Informele oecumenische gesprekskringen die voor en tijdens de oorlog waren ontstaan, kregen na de oorlog een institutionele voortzetting in de Sint Willibrordvereniging. Daarin werden mogelijkheden voor toenadering en samenwerking tussen de christelijke gezindten verkend, zonder een spoor van de vooroorlogse katholieke bekeringsijver. Op moreel vlak kwam de strenge katholieke zedenleer ter discussie te staan onder invloed van nieuwe visies op geestelijke gezondheidszorg. Onder aanvoering van A.J.H. Bartels en de psychiater C. Trimbos bracht het Katholiek Nationaal Bureau voor Geestelijke Gezondheidszorg een omslag teweeg van een moraliserende naar een psychologiserende benadering van opvoedings- en relatieproblemen.

Sinds 1900 was het aandeel van de katholieken in de Nederlandse bevolking gestaag gegroeid. Bij de volkstelling van 1947 bleek dat zij inmiddels de grootste confessionele groep vormden. Bovendien liet die telling zien dat er haast evenveel katholieken ten noorden van de grote rivieren woonden, als ten zuiden daarvan. De noordelijke bisdommen Utrecht en Haarlem telden 48,4% van de katholieken, de zuidelijke bisdommen ’s-Hertogenbosch, Breda en Roermond 51,6%. (zie kaart)

Parochiepriesters constateerden begin jaren 1950 ‘onrust in de zielzorg’: gelovigen begonnen afstand te nemen van het (over)georganiseerde katholicisme. Bij de herdenking van het honderdjarig bestaan van de bisschoppelijke hiërarchie in 1953 riep aartsbisschop – inmiddels kardinaal – De Jong zijn geloofsgenoten op om de eenheid te bewaren. Na verloop van tijd bleek dat het bisschoppelijk Mandement De katholiek in het openbare leven van deze tijd voor veel katholieken te ver ging: zij namen afstand van een gesloten katholicisme.

Verwijzingen

Aanvullend beeld- en bronmateriaal

Literatuur

  • P. Luykx, Andere katholieken. Opstellen over Nederlandse katholieken in de twintigste eeuw (Nijmegen 2000) 9-41.
  • M.G. Spiertz, ‘De aartsbisschop B.J. Alfrink voor een dilemma: het moeizaam ontstaan van het Mandement van 1954’, Trajecta: tijdschrift voor de geschiedenis van het katholiek leven in de Nederlanden 5, 3 (1996) 243-274.
  • F.P.M. D'Haens, 'De Katholieke Werkgemeenschap in de Partij van de Arbeid en de politieke doorbraak', In: Jaarboek van het Katholiek Documentatie Centrum, 4(1974), p. 59-98.

Externe links

Persoonlijke instellingen