1800-1890

Uit Digitaal Katholiek Erfgoedhuis

Ga naar: navigatie, zoeken

Inhoud

Katholieken in het Koninkrijk

De Bataafse Revolutie van 1795 eindigde in 1806, toen Napoleon Bonaparte, die sinds 1800 de dienst uitmaakte bij bondgenoot Frankrijk, zijn broer Lodewijk Napoleon in 1806 in Nederland parachuteerde. En passant maakte Napoleon, die zichzelf in 1804 tot keizer had gekroond, er een koninkrijk van, Koninkrijk Holland. De katholieke Lodewijk Napoleon begon met de voorbereidingen van een reorganisatie van alle kerkgenootschappen. Voorstellen daartoe bleven echter onuitgevoerd, omdat Napoleon in 1810 het koninkrijk Holland bij Frankrijk inlijfde.

In 1813 verlieten de Fransen Nederland, nadat Napoleon in Rusland een enorm militair echec had geleden. Willem Frederik, de oudste zoon van Willem V die in 1795 gevlucht was, kreeg in zijn verblijfplaats Londen het aanbod om als soeverein vorst de regering op zich te nemen. Onder zijn autocratische bewind bleef de vrijheid van godsdienst gehandhaafd. In 1827 werd een concordaat met Rome gesloten (maar nooit uitgevoerd), dat een einde aan de missiestatus van de katholieke kerk in Nederland moest maken, maar de koning ook een stem gaf in de benoeming van bisschoppen in de nieuw op te richten bisdommen. De overheid bleef bovendien de groei van kloosters nadrukkelijk aan banden leggen. Willem I beschouwde zijn koninkrijk nadrukkelijk als protestants, hoewel katholieken door de samenvoeging van de Noordelijke en de Zuidelijke Nederlanden tot het nieuwe Verenigd Koninkrijk der Nederlanden tot 1830 in de meerderheid waren. In dat jaar brak de Belgische opstand uit die in 1839 tot een definitieve splitsing leidde van het koninkrijk in Nederland en België in 1839.

Willem I koesterde het ideaal van één nationale kerk, waarin de vorst aanzienlijke zeggenschap zou hebben. Dit streven naar overheidsinvloed in kerkelijke zaken zou in de Nederlands Hervormde Kerk (die tegenwoordig deel uitmaakt van de Protestantse Kerken in Nederland (PKN)) leiden tot de Afscheiding (1834). Met katholieken had Willem I niets op. Katholieken hadden op religieus terrein officieel wel dezelfde rechten als protestantse kerkgenootschappen, maar werden toch ook met enige ambivalentie bejegend.

Willem I legde de basis voor een protestants nationaal Nederlands zelfbeeld. Dit zelfbeeld stoelde op de verbintenis van God, Nederland en het koningshuis, die haast mythische proporties aannam. God, Nederland en de Oranjes waren niet door toeval aaneengesmeed, maar werden voorgesteld als een onlosmakelijke, door God gewilde drieëenheid. God was de God van Nederland, Nederland was het beloofde land, dat zelfstandig was geworden dankzij Willem van Oranje, de Vader des Vaderlands, die de ware, gereformeerde religie als het ware had ingeplant. In deze mythe werden de inspanningen van Willem van Oranje vóór religieuze tolerantie en tégen het opleggen van een staatsgodsdienst als het ware weggeschreven. Katholieke historici zouden dit geschiedbeeld vanaf het laatste kwart van de negentiende eeuw bekritiseren.

Kerkorganisatie hersteld

De afscheiding van België in 1839 had een grondwetsherziening noodzakelijk gemaakt. Enkele liberale politici, onder wie Johan Rudolf Thorbecke (1798-1872), grepen die gelegenheid aan voor liberale hervormingen die Willem I voordien had gedwarsboomd. Onder zijn zoon Willem II, die hem in 1840 opvolgde, kwam de nieuwe grondwet tot stand, waarvan Thorbecke de geestelijke vader was. In deze grondwet werden fundamentele grondrechten vastgelegd als de vrijheid van meningsuiting, van drukpers, van vereniging en van godsdienst. Onder deze grondwet werd een zelfstandige organisatie van de katholieke kerk mogelijk. In de bul Ex qua die van 4 maart 1853 kondigde Pius IX de stichting van een kerkprovincie in Nederland af. Dit besluit leidde tot felle, afwijzende en antipapistische reacties van protestantse zijde.

Emancipatie op politiek en cultureel gebied

Streven naar een christelijke samenleving

Tot ongeveer 1860 hadden de over het algemeen liberaal georiënteerde katholieke politici (de zogeheten papo-thorbeckianen) hun liberale collega’s, onder wie Thorbecke, die verantwoordelijk voor de grondwetsherziening van 1848, gesteund. Tussen 1860 en 1890 voltrok zich een breuk tussen deze katholieken en het liberalisme. Katholieken gingen, onder invloed van nieuwe, Ultramontaanse opvattingen hierover in Rome, het liberalisme vereenzelvigen met de moderne centralistische staat, die de kerk aan banden probeerde te leggen uit angst voor een theocratie of een cleritocratie (een samenleving geregeerd door geestelijken). Katholieken, maar ook de orthodox gereformeerden ontwikkelden een confessionele politieke agenda, die zich tegen zulk staatsabsolutisme keerden. Zij wilden de vrijheid van godsdienst benutten om een door en door christelijke samenleving op te bouwen.

De grondwet van 1848 had de vrijheid van godsdienst en daarmee religieuze keuzevrijheid definitief verankerd. Dit betekende echter ook dat de gevestigde geloofsstromingen moesten proberen gelovigen aan zich te binden. Kerkelijke gezagsdragers en ambtsdragers waren er bovendien op bedacht de invloed van kerk en geloof op de samenleving zo groot mogelijk te houden. Vooral op het terrein van het onderwijs ontstond in het derde kwart van de negentiende eeuw een competentiestrijd tussen staat en kerk, tussen liberale politici die religie zoveel mogelijk uit het publieke domein wilden weren enerzijds, en katholieken en orthodoxe protestanten die zich tegen dit streven naar neutraliteit keerden. Zij zouden elkaars bondgenoten worden in de schoolstrijd.

Culturele emancipatie

In deze fase begonnen katholieken zich ook op cultureel gebied nadrukkelijk te manifesteren. Uitgever en publicist J.A. Alberdingk Thijm (1820-1889) maakte naam met tijdschriften als Volksalmanak voor Nederlandsche katholieken (1852-1890) en de Dietsche warande (1855-1899). Onder aanvoering van architect Pierre Cuypers (1827-1921) werd het neoclassicisme verruild voor de neogotiek. Deze bouwstijl ontwikkelde zich tot een dragend element van de katholieke identiteit. In vorm en stijl sloeg zij een brug naar de (geïdealiseerde) Middeleeuwen, toen het religieuze monopolie van het katholicisme nog onaangetast was. Tegelijkertijd symboliseerde zij de weerstand van de katholieke kerk tegen de moderne, liberaalkapitalistische maatschappij met haar antikerkelijke tendensen.

De arts Willem J.F. Nuyens droeg er met zijn Geschiedenis van de Nederlandsche beroerten in de XVIe eeuw (1865-1870) aan bij dat Opstand niet louter met de Reformatie werd geassocieerd. In de dominante liberale visie gold de Opstand als bakermat van de nationale identiteit, die vooral als protestants gezien werd. Voor katholieken was deze toeëigening van het verleden en de daarop berustende constructie van nationale identiteit te eenzijdig en omstreden. Geschiedenis, zo begreep Nuyens, vervulde niet alleen een sleutelrol in de ontwikkeling van een specifiek Nederlandse katholieke identiteit, maar ook van een nieuwe nationale identiteit, waarin de katholieken geïntegreerd moesten worden. Een eigen rooms verleden veroveren, ontginnen en kapitaliseren was een proces dat zich in een meervoudig spanningsveld voltrok: tussen ‘nationaal’ en ‘confessioneel’ erfgoed, tussen ‘protestantse’ en ‘katholieke’ waarderingen en interpretaties van dat erfgoed. De profilering van een eigen katholieke identiteit steunde op in de Middeleeuwen gelocaliseerde gebruiken, bijvoorbeeld een sterke devotionaliteit en heiligenverering.

Deze verovering – of herovering – van het katholieke verleden werd noodzakelijk geacht, maar bleek ook ingewikkeld, zoals de heiligverklaring van de Martelaren van Gorcum in 1867 verduidelijkt. Het initiatief hiertoe lag bij Pius IX, die de martelaren beschouwde als het symbool van trouw aan de H. Stoel. Hij eigende zich als het ware het Nederlands nationaal verleden toe voor Ultramontaanse doeleinden. De Nederlandse bisschoppen waren verlegen met dit strijdbare contrareformatorische geschiedbeeld, dat niet paste in een meer verzoenende versie van de Opstand die zich in Nederland ontwikkelde. Zij wisten ervoor te zorgen dat de Gorcumse martelaren vooral als vaderlandse heiligen en nationaal-katholieke helden tot de eer der altaren werden verheven. Als zodanig maakten zij deel uit van een Nederlandse heiligencultuur waar vanaf 1890 Lidwina van Schiedam en vanaf 1925 Petrus Canisius deel van uitmaakten. Deze heiligencultuur versterkte het katholieke groepsbesef en onderstreepte die eigenschappen waarmee negentiende-eeuwse katholieken zich graag vereenzelvigden: berustende volharding, onwrikbare geloofstrouw en loyaliteit aan de paus.

Mobilisering

In 1868 vaardigden de Nederlandse bisschoppen een mandement (officiële brief) uit over het onderwijs. In het spoor van de antiliberale encycliek Quanta cura (1864), die staatsonderwijs afwees, noemden de bisschoppen neutraal onderwijs voor de jeugd een gevaar. Het onderwijs werd bij uitstek het terrein waarop overheid en kerken (katholieke en orthodox protestante) elkaar de zeggenschap betwistten. De onderwijswet van 1857, die een uitvloeisel was van de vrijheid van onderwijs zoals vastgelegd in de grondwet van 1848, bepaalde dat de overheid verantwoordelijk was voor de financiering van openbare scholen. Voor de overheid was onderwijs een instrument om onderdanen tot deugdzame burgers van de nationale staat op te voeden, een instrument dat neutraal diende te zijn. Confessionelen twijfelden aan die neutraliteit, maar hechtten bovendien aan een religieus stempel op het onderwijs, waarvan ook zij de ‘identiteitsstichtende’ waarde onderkenden. Zij moesten hun eigen ‘bijzondere’ (= op godsdienstige grondslag) scholen echter zelf bekostigen. De eisen die de overheid vervolgens bij wet aan het onderwijs probeerde te stellen, betekenden een kostenstijging die in confessionele kring protest opriep.

De strijd voor het bijzonder onderwijs was een belangrijke motor achter de mobilisering van confessionele kiezers. Aan orthodox protestantse zijde was de Amsterdamse predikant Abraham Kuyper (1837-1920) de aanvoerder. Hij richtte in 1879 de Anti Revolutionaire Partij op. Aan katholieke zijde nam de priester Herman Schaepman (1844-1903) het voortouw. Hij was in 1880 in de Tweede kamer gekozen en publiceerde drie jaar later Een katholieke partij. Proeve van een program. Verder dan een programma kwamen de katholieke politici niet; het zou nog tot 1926 duren voordat de Roomsch-Katholieke Staats Partij (RKSP) werd opgericht. Inzet van beide politieke leiders was de uitbreiding van het kiesrecht, waardoor een liberale kamermeerderheid overstemd zou kunnen worden en eigen, confessionele belangen gediend.

In 1888 volgde een nieuwe wet op het lager onderwijs, die in beperkte subsidie voor het bijzonder onderwijs voorzag. Daarop volgde een snelle uitbouw van dat onderwijs: in 1889 bedroeg het percentage bijzondere scholen 20. In 1917 werd de schoolstrijd tenslotte beslecht, toen de gelijke overheidsfinanciering van bijzonder en openbaar onderwijs bij wet geregeld werd.

Verwijzingen

Aanvullend beeld- en bronmateriaal

Literatuur

  • Joris van Eijnatten en Fred van Lieburg, Nederlandse religiegescihiedenis (Hilversum 2005) hoofdstuk 9.
  • J. Vis en W. Janse (eds.),Staf en storm. Het herstel van de bisschoppelijke hiërarchie in Nederland in 1853: actie en reactie (Hilversum 2002).
  • P.A.M. Geurts e.a.,J.A. Alberdingk Thijm 1820-1889. Erflater van de negentiende eeuw (Baarn/Nijmegen 1992).
  • P. Raedts, 'Katholieken op zoek naar een Nederlandse identiteit, 1814-1898', BMGN

107 (1992) 713-725.

  • J.P. de Valk,Roomser dan de paus? Studies over de betrekkingen tussen de Heilige Stoel en het Nederlands katholicisme, 1815-1940 (Nijmegen 1998) 157-172.

Externe links

Persoonlijke instellingen