1648-1800

Uit Digitaal Katholiek Erfgoedhuis

Ga naar: navigatie, zoeken

Inhoud

Religieuze verhoudingen na 1648

Op 15 mei 1648 werd de Vrede van Munster getekend. Hiermee werd de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden internationaal als zelfstandige staat erkend. Op het punt van religie werd de bevoorrechte positie van de Calvinistische Nederduits-gereformeerde kerk bevestigd, maar een staatsgodsdienst, zoals omringende landen die wel kenden, werd het niet. Ook de gewetensvrijheid voor andere religieuze stromingen, die bij de Unie van Utrecht was vastgelegd, bleef gehandhaafd. De katholieken werden, naast de zogeheten 'dissenters' , gedoogd in de Republiek, op voorwaarde dat zij in aantal niet zouden groeien en hun geloof niet in het openbaar zouden belijden. Dat maakte de Republiek in religieus opzicht relatief tolerant. De religieuze verhoudingen stabiliseerden terwijl in de geloofsbeleving van de verschillende geloofsrichtingen opmerkelijke overeenkomsten zichtbaar werden in de verinnerlijking van geloof.

Alledaagse contacten tussen mensen van verschillende geloofsopvattingen werden bepaald door een Pragmatische tolerantie en een zekere omgangsoecumene . Dat nam niet weg dat er tussen de confessies of geloofsrichtingen een duidelijke hiërarchie bestond. De Nederduits-gereformeerde kerk stond aan de top daarvan, gevolgd door de doopsgezinden en de Lutheranen . Daarna kwamen de katholieken en protestantse dissenters die in hun opvattingen ver van het calvinisme afweken. Onder aan de ladder stonden de niet-christenen, met name de joden, die in enkele steden in enclaves woonden.

Katholieken in de Republiek

Het verloop van de Opstand was bepalend geweest voor de confessionele verhoudingen. Anders gezegd: welke gebieden uiteindelijk protestants werden of katholiek bleven, hing af van de winst van de Staatse troepen op de Spanjaarden. In steden en gebieden die vóór 1621, het einde van het Twaalfjarige Bestand, weer in Spaanse handen waren gevallen, bleven katholieken over het algemeen in de meerderheid. Dat gold bijvoorbeeld voor Brabant en delen van Limburg, maar ook voor het oosten van Gelderland, de Achterhoek.

Daarnaast waren waarschijnlijk de lokale politieke omstandigheden mede bepalend voor de confessionele verhoudingen. Waar onbuigzame calvinistische predikanten veel invloed hadden op de stedelijke overheid, lag het percentage katholieken lager, dan waar verdraagzame regenten enig tegenwicht boden aan de predikanten. Dit verklaart waarom er grote verschillen in aantallen katholieken konden optreden in aangrenzende steden. In Alkmaar was in het eerste kwart van de zeventiende eeuw 45 % van de bevolking katholiek, in het nabijgelegen Enkhuizen slechts 5%, in Delft 35%, tegenover Dordrecht slechts 13%.

Tussen ca. 1650 en 1726 daalde het percentage katholieken in de Republiek van 47% tot 34%. Daarmee waren de katholieken nog altijd de grootste en belangrijkste confessionele minderheid in de Republiek. Hun kerk speelde in het openbare leven echter geen rol. De religieuze dienstverlening (dopen, huwelijkssluitingen) was voorbehouden aan de Nederduits-gereformeerde kerk. Dit betekende dat alle kinderen in deze kerk gedoopt (en daarmee ook voor de burgerlijke overheid geregistreerd) werden. Katholieken lieten hun kinderen vaak in het geheim overdopen door een priester. Ook als zij (wederom clandestien) ten overstaan van een priester waren getrouwd, dan moest deze verbintenis door een gereformeerde predikant worden bevestigd, al kon men in sommige gewesten dit ook door de overheid laten doen. Alleen degenen die lidmaat van de gereformeerde kerk waren, kwamen in aanmerking voor een overheidsambt. Het lidmaatschap van gilden werd geweigerd aan degenen die niet tot de publieke kerk behoorden.

Dit verklaart misschien waarom het aantal katholieken vanaf de tweede helft van de zeventiende eeuw daalde. Een aanvullende verklaring is het verschil in personele voorziening tussen de twee grootste concurrerende confessies. Rond 1650 telde de Republiek ongeveer 1500 predikanten en 500 priesters. Die 500 priesters waren verantwoordelijk bijna de helft van de bevolking, de protestantse predikanten voor (toen nog) rond een derde. De predikanten werden door de overheid betaald, terwijl katholieken zelf geld bijeen moesten brengen voor hun schuilkerken en priesters. Katholiek zijn kostte met andere woorden inspanning en geld.

Vormgeving van een katholieke identiteit en kerkscheuring

Na 1648 mochten katholieken hun geloof alleen nog maar in het geheim, in schuil- of schuurkerken belijden. Dit in tegenstelling tot de Zuidelijke Nederlanden, waar sprake was van een uitbundige, barokke geloofsbeleving, rijk aan bedevaartsoorden, in rijk versierde kerken, met een openbare en ook opzichtige heiligencultus.

De priesters die werkten in de Republiek, verschilden onderling van mening over de wijze waarop katholieken hun geloof zouden moeten vormgeven en beleven. Grofweg gezegd was er in dit opzicht een verschil tussen rreguliere en seculiere priesters. Regulieren hoorden bij (internationale) kloosterordes en waren meestal in een klooster in de Zuidelijke Nederlanden opgeleid, waar zij ook hun ideeën over geloofspraktijk hadden opgedaan: Zij stimuleerden de verering van talrijke heiligen en organiseerden plechtige processies in hun schuilkerken. Zij benadrukten dat het katholicisme het enige ware geloof was, dat de strijd tegen het protestantisme en andere ‘ketterijen’ moest aangaan en ook zou winnen.

Seculiere priesters waren ook buiten de Republiek opgeleid (in Leuven, Keulen of Rome). Zij beschouwden zichzelf als de rechtmatige geestelijken in de Hollandse Zending: zij maakten deel uit van de (weliswaar verboden) bestuurlijke organisatie van de katholieke kerk in de Republiek, ze stonden namelijk direct onder het bestuur van de apostolisch vicaris . Regulieren moesten naast aan de apostolisch vicaris, ook aan het hoofd van hun orde gehoorzamen: zij stonden wat verder van de apostolisch vicaris af. In tegenstelling tot de strijdbare regulieren wilden de seculieren de geloofspraktijk versoberen: zij wilden een katholicisme aangepast aan de situatie in de Nederlanden. Hun strategie was niet gericht op confrontatie met het protestantisme, maar op integratie in een samenleving waarin meerdere geloofsovertuiging naast elkaar bestaan en een goede verstandhouding met de regering van de Republiek. Zij wilden de protestanten laten zien dat ook katholieken vanuit de bijbel leefden en dat zij niet lichtvaardig omgingen met menselijke zondigheid. Deze priesters probeerden vooral de verering te bevorderen van ‘vaderlandse’ heiligen als Willibrord en Bonifatius en stimuleerden gebeden in het Nederlands, zoals het Wees gegroet. Zij probeerden de eenheid binnen de katholieke geloofsgemeenschap te bevorderen door de gelovigen aan te sporen om hun kinderen, of het nu meisjes of jongens waren, Maria als doopnaam mee te geven.

Achter de verschillen in de manieren waarop het katholieke geloof beleefd werd ging een diepgaand theologisch meningsverschil schuil. Daarbij kwam dat een aantal (seculiere) geestelijken vond dat de katholieke kerk in de Nederlanden weer een echt bestuur met een bisschop aan het hoofd moest krijgen, terwijl andere (vooral reguliere) geestelijken vonden dat de Nederlanden een missiegebied zonder bisschoppelijk bestuur moest blijven. Deze twee meningsverschillen leidden er uiteindelijk in 1723 toe dat een aantal seculiere geestelijken zich afscheidde van de katholieke kerk in Rome en onder de naam 'de Rooms-Katholieke Kerk van Oud-Bisschoppelijke Clerezie' verder ging. In de Republiek waren vanaf dat moment twee katholieke kerkgenootschappen: de Oud-Bisschoppelijke Clerezie en de Rooms katholieke kerk onder leiding van een apostolisch vicaris, benoemd door Rome. De regering van de Republiek voelde intussen weinig voor een katholieke kerk die onder een zo directe invloed van een buitenlandse vorst (de paus) stond en verbande in 1717 de toenmalig apostolisch vicaris. De Hollandse Zending werd sindsdien bestuurd door de pauselijke nuntius in Brussel.

Godsdienstvrijheid

In de tweede helft van de achttiende eeuw deden onder invloed van de Verlichting nieuwe, optimistische mensbeelden hun intrede: kritisch denkend en in staat om bij te dragen aan wat algemeen nuttig geacht werd. Deze visie riep de vraag op of de overheid nog wel een taak had om religieuze voorschriften in het publieke domein te handhaven. Moesten mens niet zelf verantwoordelijkheid dragen, in vrijheid kunnen zoeken naar het goede en het ware? Mocht niet ook de religieuze waarheid onderzocht worden? In dit verlichte mensbeeld werd religie een kwestie van innerlijke overtuiging, die stoelde op redelijke grondslag en niet op conventies die met steun van de overheid gehandhaafd werden.

Natuurwetenschappelijke ontdekkingen sinds de zeventiende eeuw hadden het denkvermogen van mensen laten zien. Isaac Newtons ontdekking van de zwaartekracht bood een wetenschappelijke, rationele verklaring voor een proces dat tot dan toe niet was begrepen en alleen verklaard kon worden door te verwijzen naar Gods onzichtbare hand in het universum. Een groeiende groep intellectuelen, natuurwetenschappers en filosofen kon allerlei verschijnselen uitleggen zonder zich te beroepen op God als schepper van hemel en aarde. Hun wereldbeeld raakte 'onttoverd', ontdaan van religieuze en ook magische elementen.

Deze onttovering was van invloed op de visie op religie in het algemeen. Onder invloed van de Verlichting groeide pragmatische religieuze tolerantie uit tot principiële tolerantie. Die principiële tolerantie wortelde vooral in het besef dat de verschillende geloofsstromingen in de Republiek een christelijke grondslag met elkaar gemeen hebben. Die gemeenschappelijke wortel ging zwaarder wegen dan confessionele verschillen, toen het streven naar een eenheidsstaat groeide. Die gedeelde grondslag berustte overigens wel op een scherp besef van verschillen met de islam of het boeddhisme. Theologen benadrukten dat er in Nederland geen moslims waren of boeddhisten of aanhangers van de Chinese wijsgeer Confucius. Intolerantie ten opzichte van niet-christelijke wereldgodsdiensten bevestigde een gedeelde christelijke grondslag.

In 1795 werd de Bataafse Republiek uitgeroepen. Geïnspireerd door de Franse Revolutie werd politiek particularisme, zoals dat in de Republiek gangbaar was geweest, uit de tijd verklaard. Er moest een eenheidsstaat komen, vormgegeven door verlichte, redelijke en deugdzame burgers. Oude mensbeelden, waarin de mens vooral aan God was overgeleverd, werden uit de tijd verklaard. Confessionele verscheidenheid gold als een bedreiging voor die nieuwe eenheidsstaat. Daarom werd geen enkele religie of kerkgenootschap in de nieuwe grondwet bevoorrecht. Feitelijk betekende dit de vrijheid van godsdienst.

De principiële tolerantie voor alle christelijke stromingen betekende dat religie geen reden tot uitsluiting meer kon zijn voor bijvoorbeeld overheidsfuncties. Verdraagzaamheid werd een algemeen maatschappelijk ideaal: een morele stelregel die als het ware los is komen te staan van de oorspronkelijke religieuze oorsprong. Door de nieuwe staatsinrichting en de verlichte idealen die daaraan ten grondslag lagen waren de katholieken voortaan vrij om hun godsdienst te belijden, zolang hun eredienst en andere uitingen van hun geloof de openbare orde niet verstoorden.

Verwijzingen

Aanvullend beeld- en bronmateriaal

Literatuur

  • Willem Frijhoff en Marijke Spies, 1650. Bevochten eendracht (Den Haag 1999) hoofdstuk 6: Godsdienst en geloof.

Een brede cultuurhistorische synthese waarin de religieuze verhoudingen rond 1650 uitvoerig aanbod komen.

  • Jonathan Israel, De Republiek 1477-1806 (Franeker 1996).br/>

Een zeer gedetailleerd overzichtswerk, waarin uitvoerig aandacht besteed wordt aan de religieuze verdeeldheid in de eerste helft van de zeventiende eeuw, de confessionele consolidatie in de tweede helft van die eeuw en de invloed van de verlichting in Nederland

  • A.Th. van Deursen, De last van veel geluk. De geschiedenis van Nederland 1555-1702 (Amsterdam 2004).

Beschrijft het glorieuze tijdvak van de Gouden Eeuw die rond 1702 over haar bloei heen was en besteedt hierbij aandacht aan rol van religie.

Externe links

Persoonlijke instellingen